Iran: nucleaire mogendheid tegen wil en dank?

Russian Foreign Minister Sergey Lavrov’s meeting with Iranian Foreign Minister Mohammad Javad Zarif, Moscow, October 28, 2016. Photo: МИД России (Flickr)


Blind voor eigen zonde blijft de VS mokken over oud zeer. De schokgolf van de aanvallen op Saoedische olie-installaties zindert na. De Iraanse militaire technologie doet Amerikaanse wenkbrauwen fronsen. Washington krijgt Iran niet op de knieën. Aanhoudende Amerikaanse agressie riskeert een nucleair Iran.

In 2017 maakte de toenmalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Rex Tillerson kennis met zijn Iraanse collega Javad Zarif1. Dat gebeurde tijdens een bijeenkomst met vertegenwoordigers van de zes landen die in 2015 het Joint Comprehensive Plan of Action (JCPOA), beter bekend als de Irandeal, hadden onderhandeld. Zarif klaagde dat de VS tegen de afspraak in de sancties had gehandhaafd en Tillerson mopperde dat Iran de Libanese Islamitische groep Hezbollah financierde, de “moorddadige Syrische dictator” Bashar al-Assad steunde, Amerikaanse schepen in de Perzische Golf lastigviel en de deal enkel tot stand kon komen onder het milde beleid van de vorige Amerikaanse regering.

Zarif herinnerde Tillerson eraan dat partijen in de onderhandeling over de nucleaire deal waren overeengekomen elk ander issue buiten beschouwing te laten. “Dan moet u nu niet terugkomen op uw waslijst met historische grieven. Ook ik kan heel wat excuses opsommen om onze overeenkomst te schenden”, zo beet Zarif Tillerson toe. ‘Uw regering schendt de voorwaarden van de nucleaire deal. Om een voorbeeld te noemen: u weigert exportlicenties aan Boeing en Airbus af te geven die hen in staat moeten stellen om zaken te doen in Iran”.

Tekenend voor een wereldmacht die niet aan introspectie doet

Maar Tillerson hield voet bij stuk. “Sinds 1979 valt Iran Amerikanen aan. Onze ambassade werd bezet, onze diplomaten opgesloten en slecht behandeld. Onze relatie is de nasleep van een revolutie en wordt gekenmerkt door geweld. Elke poging tot verzoening lijkt gedoemd te mislukken”, aldus Tillerson, die ook aanvallen in Libanon en Irak aanhaalde die honderden Amerikaanse burgers zouden hebben gedood. Voorstanders van de JCPOA vonden Tillerson’s optreden riskant, tegenstanders zagen er het toonbeeld in van het strijdlustige ‘America First’ buitenlands beleid.2 Hoe het ook zij, Tillerson’s tirade is tekenend voor een wereldmacht die niet aan introspectie doet.

Intussen zijn we twee jaar verder. De VS is uit de JCPOA gestapt. Tillerson is vervangen door de havik Pompeo die Iran twaalf onmogelijke eisen heeft voorgelegd. Iran werd bestookt met cyberaanvallen en moordaanslagen op wetenschappers. De sancties die de bevolking teisteren en “het mullahregime” op de knieën moeten krijgen werden maximaal opgevoerd. Washington stuurt voortdurend tegenstrijdige berichten de wereld in. Iran heeft een jaar lang de JCPOA nageleefd, in afwachting van resultaten van INSTEX, het Europese instrument dat de Amerikaanse secundaire boycot moest omzeilen en dus Europese ondernemingen toelaten zaken te doen met Iran.

Zelfs een beperkte Amerikaanse aanval wordt buitenproportioneel beantwoord

Iran laat zich niet intimideren. Het heeft een Amerikaanse drone neergehaald, tankers gesaboteerd, een Britse tanker opgebracht, steun verleend aan de Jemenitische aanvallen op Saoedische olie-installaties, en getoond dat het klaar is voor een oorlog. Komt het tot een gewapend conflict, dan weet Iran dat het kan rekenen op zijn bondgenoten Libanon, Syrië, Irak en Palestina. Het heeft aangekondigd dat zelfs een beperkte Amerikaanse aanval buitenproportioneel zal worden beantwoord. Washington slaagt er niet in Iran’s vastberadenheid te breken en het land economisch te ruïneren. Blijkbaar hebben China en Rusland geen boodschap aan de Amerikaanse secundaire boycot.

De VS hanteert het instrument secundaire boycot tegen Iran al bijna een kwart eeuw. In zijn huidige ultieme vorm is het de bedoeling om de Iraanse olie-uitvoer terug te brengen tot nul. Ook de export van aardgas en staal, aluminium en koper vallen onder deze maatregel. De maximale druk op Iran is een ongehoorde schending van het recht van een staat om deel te nemen aan de wereldeconomie. Zonder internationale handel kan een moderne staat niet overleven. In handelsterminologie is het een maatregel die gelijk staat aan een zeeblokkade. Wordt zo’n blokkade uitgevoerd door eender welk ander land, dan zou dat wereldwijd worden aangemerkt als een oorlogsdaad.

Iran heeft het recht Jemen technologisch te steunen

Iran verleent ongetwijfeld technologische steun aan Jemen en heeft daarmee indirect de aanvallen op de Saoedische olie-installaties mogelijk gemaakt. Net als het Westen dat wapens levert aan Saoedi Arabië dat in de oorlog met Jemen de agressor is, heeft Iran dat recht. De aanvallen brengen de boodschap over dat niemand nog olie kan vervoeren door de straat van Hormuz als Iran dat recht wordt ontzegd. Iran heeft zich jarenlang voorbereid op een confrontatie met de VS. Het resultaat is een nieuwe generatie drones en kruisraketten die elke Amerikaanse poging om zijn militaire apparaat uit te schakelen kunnen afslaan en Amerikaanse bases in het Midden-Oosten kunnen raken.

De VS was blijkbaar verrast toen Iran een op grote hoogte vliegende Amerikaanse spionagedrone neerhaalde. Iran heeft zijn luchtverdedigingssysteem voortdurend opgewaardeerd. In 2016 werden Russische S-300 raketten geïnstalleerd en recent de eigen Bavar-373 raketten die gelijkwaardig zou zijn aan de Russische S-400’s. Een analist kenmerkte Iran als “drone-supermogendheid”. De Iraanse afweersystemen hebben vérstrekkende gevolgen voor het Amerikaanse beleid. Beleidsmakers moeten zich niet blindstaren op de schuldvraag rond de aanvallen op de olie-installaties, maar zich concentreren op de acute beleidsperikelen die de politiek en de media onder de mat vegen.3

Zonder Iraanse steun vallen zijn bondgenoten ten prooi aan de AngloZionistische pletwals

Trump denkt nog altijd Iran aan tafel te kunnen krijgen. Iran heeft laten weten dat het zijn rakettenprogramma wil opgeven als Israel zijn kernwapens van de hand doet en de volledige regio zijn raketten. Voor Iran zijn de allianties met Libanon, Syrië, Palestina, Irak en Afghanistan onbespreekbaar. Zonder die allianties steunt de wereld Israel als het de Westelijke Jordaanoever en Gaza annexeert, confisqueert Israel Libanon’s zee- en landgrenzen, blijft de Golan Israëlisch gebied dat de VS vaste voet geeft in Syrië, en wordt Irak opgesplitst. Zonder Iraanse steun vallen deze landen ten prooi aan de Amerikaanse pletwals en worden zij onderworpen aan het arrogante Israel.

Iran werkt niet mee aan een loze fotosessie Trump-Rouhani. Het gaat pas met de VS aan tafel als de sancties zijn opgeheven. Zo’n intrekking is lastig voor Trump: de overwinning gaat naar Iran, de VS lijdt een nederlaag en er onstaat het beeld dat alles wat hij Iran heeft aangedaan zinloos was. Trump’s politieke tegenstanders zullen hem in volle verkiezingstijd voor schut zetten. Trekt hij de sancties in, dan zal dat moeten gebeuren met een goed verhaal naar de publieke tribune. Ontstaat de perceptie dat zijn beleid heeft gefaald, dan kan hij zijn herverkiezing in 2020 wel vergeten.4

Voor Iran mag het hard tegen hard gaan. Het heeft gezien hoe Trump omgaat met de Noord-Koreaanse leider Kim Jong-un die over kernwapens beschikt. Ideologisch is Iran gekant tegen kernwapens. Maar blijft de VS Iran op de korrel nemen, dan kan het land wel eens kiezen voor zekerheid en uitgroeien tot een kernmogendheid tegen wil en dank, en was de JCPOA een maat voor niets.

1 Hoe weinig men begrijpt van Iran blijkt uit de manier waarop de New Yorker Zarif beschrijft: “… een raadsel; opgeleid in de VS, spreekt bijna perfect Engels, en toch blijft hij loyaal aan het revolutionaire regime in Iran.”
2 Dexter Filkins: ‘Rex Tillerson at the Breaking Point’, The New Yorker, 6 oktober 2017
3 Gareth Porter: ‘Why Evidence of Iran’s Role in Attack Doesn’t Matter’, The American Conservative, 19 september 2019
4 Elijah Magnier: ‘The US wants Iran to become a toothless shark’, 28 september 2019

Het Europese landbouwbeleid: eigen boeren eerst

Milk cans at the Kiambaa Dairy Rural Sacco Society in Kenya
(photo credit: ILRI/Eyeris; Wikimedia Commons)


Zo’n 40% van het EU-budget gaat naar landbouw. Exportsubsidies hebben plaatsgemaakt voor directe steun aan boeren die bijna de helft van hun inkomen dekt. Wat de EU met de ene hand geeft via ontwikkelingshulp neemt het met de andere hand terug via export van gesubsidieerde landbouwoverschotten. Het kan anders: grote opkomende economieën bieden kansen. Het EU-parlement kan het verschil maken.

“Het handelsklimaat voor agribusiness in 2018 was positief, maar aanzienlijke risico’s liggen in het verschiet. De bedreigingen zijn protectionisme, handelsconflicten en verstoring van het handelsverkeer. Maar er zijn ook kansen. Met de bevolkingsgroei neemt de vraag toe, en de groeiende middenklasse is rijp voor producten met een hogere toegevoegde waarde. Onze toonaangevende agrovoedingssector mag de toekomst met vertrouwen tegemoet zien.” Dat is de strekking van het rapport Agri-food trade in 20181 van de Europese Commissie dat verscheen op een moment waarop het nieuwe gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) dat in 2021 moet ingaan in de steigers staat.

Dit rooskleurige beeld schreeuwt om nuancering. De échte bedreiging is het groeiend verzet tegen zowat 40% van het EU-budget naar landbouw en de impact van het beleid op de derde wereld. Het Europese landbouwbeleid past eerder in een geleide economie zoals die onder het communisme. De steeds grotere boerenbedrijven vergen blijvende financiële ondersteuning. Europees landbouwcommissaris Phil Hogan mag dan spreken over een steeds marktgerichter gemeenschappelijk landbouwbeleid, de steun die hij de sector tegelijk belooft om “kansen over de hele wereld te benutten” leidt wel tot het dumpen van gesubsidieerde overschotten in ontwikkelingslanden die lokale landbouw oneerlijk beconcurreren.

Het Europese landbouwbeleid kent een roemrucht verleden. Vanaf het Verdrag van Rome van 1957 zijn de doelstellingen ongewijzigd: productiviteit optimaliseren, boereninkomens ondersteunen, markten stabiliseren, voedselvoorziening veiligstellen en zorgen voor betaalbare consumentenprijzen. Het GLB van vandaag ontstond in 1962. De architect was de sterk ideologisch gedreven Nederlandse landbouwcommissaris Sicco Mansholt, voor wie schaalvergroting, inkomenssteun aan de boeren en subsidiëring van de landbouw essentiële voorwaarden waren.

Perverse neveneffecten

Achteraf kreeg Mansholt spijt van zijn beleid. Dat heeft immers perverse neveneffecten: goedkoop veevoer uit de Derde Wereld levert welvaart op, maar ook een zware belasting van het milieu. Veeteelt produceert 14% van alle CO2-uitstoot, even veel als de complete transportsector. Via de mest komen onnatuurlijk grote hoeveelheden mineralen in de bodem. Intensieve veehouderij is ook potentieel nefast voor dierenwelzijn. Vroeger kregen koeien diermeel bijgevoerd, wat in 1992 leidde tot de bovine spongiforme encefalopathie (BSE) epidemie bij melkvee met vrijwel zeker de overdracht op de mens in de vorm van een variant van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob.

In 1995 formuleerde2 Mansholt een stuk van zijn wroeging als volgt: “Door de vaste graanprijs blijft er veertig miljoen ton graan per jaar over. Dat dumpen we, met dure exportsubsidies, tegen ramsjprijzen op de wereldmarkt waardoor we de boeren in de derde wereld in wanhoop naar de sloppenwijken drijven. Tegelijk hebben we de vrije invoer van graanvervangend veevoer toegestaan, tapioca en de hele rommel. Ook veertig miljoen ton per jaar. Daardoor zitten wij nu met de intensieve veehouderij en het mestoverschot. Het is een onhoudbare toestand, een stroperige brei van belachelijke maatregelen”.

Intussen zijn de exportsubsidies dan afgeschaft, vandaag steunt Brussel de sector wél in andere vormen, waaronder directe financiële steun aan de boeren die gemiddeld 46% van hun inkomen dekt. Enerzijds zegt de voorzet3 voor het nieuwe GLB dat het de sector blijft steunen, anderzijds dat de Migratietop in Valletta4 opvolging verdient. Die top keek naar de diepere oorzaken van migratie: armoede, gewapend conflict, slecht bestuur, de gebrekkige rechtsstaat en inbreuken op mensenrechten. Maar nog steeds geeft de Commissie een duurzame ontwikkeling in Afrika te weinig kans. Zij zegt dat coördinatie met ontwikkelingssamenwerking nodig is, maar ook dat handelsakkoorden moeten voorzien in uitzonderingen voor bepaalde sectoren.

Minderwaardig melkpoeder naar West-Afrika

In 2018 overspoelde de EU de West-Afrikaanse markten met 340.000 ton melkpoeder. Bijna driekwart daarvan is een minderwaardig product: het melkvet is vervangen door 90% goedkoper plantaardig vet dat maar een fractie bevat van de voedingsstoffen van melkvet. Het afgeroomde melkvet wordt verwerkt tot boter waar op de binnenlandse markt in Europa tegenwoordig opnieuw een grote, groeiende en winstgevende vraag naar bestaat. Intussen worden zo’n 20.000 West-Afrikaanse families die leven van industriële melkproductie en honderdduizenden families die daar indirect van afhankelijk zijn doodgeconcurreerd met inferieur en gesubsidieerd Europees melkpoeder.5

Aan de vooravond van een nieuw vrijhandelsakkoord met de EU heeft ook Tunesië problemen met het Europese landbouwbeleid. Het verschil in productiviteit, de financiële steun aan EU-boeren, de Europese graan- en vleesoverschotten, de extra irrigatie met water waarvan de limieten zijn bereikt, het zijn allemaal zaken die Tunesië zelfs op middellange termijn niet kan overbruggen. Tunesië met 10 miljoen inwoners is net als andere Maghreblanden helemaal niet gebaat met een handelsakkoord met een economisch machtsblok met 500 miljoen inwoners. Slaat de Maghreb de handen ineen, dan staat de regio als groep sterker in de onderhandeling met de machtige EU.6

Big business en big finance dragen bij tot corruptie

De EU denkt de nood in Afrika te kunnen lenigen door het aanbieden van knowhow, opleiding, uitwisselingsprogramma’s, en jobs voor legale migranten en seizoensarbeiders. Maar dat is in belangrijke mate lippendienst. Mensen verlaten hun geboorteland om redenen die voortvloeien uit het beleid van hun corrupte overheid, corruptie die samenhangt met contacten tussen lokale leiders en big business en big finance in het westen. Het zijn mastodonten die belust zijn op natuurlijke hulpbronnen in de derde wereld, en afzetmarkten zoeken voor landbouwoverschotten.

Voor 2018 stond 38% (€61 miljard) voor landbouw ingeschreven op de EU-begroting. Voor ontwikkelingssamenwerking was dat 0,3% (€3 miljard).7 De Official Development Assistance, het totale budget voor ontwikkelingshulp van de EU plus de 28 lidstaten, bedroeg in 2018 €74 miljard. Wat Europa met de ene hand aan belastinggeld van burgers investeert in ontwikkelingslanden wordt dus in belangrijke mate met de andere hand ongedaan gemaakt via het dumpen van gesubsidieerde landbouwoverschotten.

Hoe moet het dan wel? Overheidsbemoeienis met landbouw is omwille van voedselzekerheid niet weg te denken, maar het kan met heel wat minder. De sector moet meer ondernemerschap tonen. Gesubsidieerde overschotten moeten niet langer in ontwikkelingslanden worden gedumpt. In Europa wordt braaklegging van landbouwgrond gesubsidieerd terwijl China overal landbouwgrond opkoopt. In het handelsoverleg met China zou Europa een tolling voorstel op tafel kunnen leggen waarbij het hoogproductieve landbouwgrond ter beschikking stelt en producten levert in ruil voor Chinese ertsen, mineralen en andere grondstoffen.8 Geopolitieke en geostrategische argumenten moeten in de discussie worden meegenomen. Wat geldt voor China geld ook voor nieuwe grote economieën als Brazilië en India.9

Sinds het Verdrag van Lissabon is landbouw één van de beleidsdomeinen die onderworpen zijn aan de gewone wetgevingsprocedure. Het Europees Parlement is dus ook voor landbouw medewetgever en zal zijn akkoord moeten geven aan het nieuwe GLB. Dat geeft de nationale politiek, het middenveld, actiegroepen en de media de mogelijkheid “hun” Europese parlementsleden te wijzen op de onmogelijke spagaat tussen landbouw en ontwikkelingssamenwerking, en er dus een einde moet komen aan het eigen-boeren-eerst beleid.

1 European Commission DG Agriculture & Rural Development: ‘Agri-food trade in 2018
2 VPRO Tegenlicht: Gesubsidieerde aarde, deel 2, 25 mei 2003
3 Mededeling Europese Commissie COM(2017) 713 d.d. 29 november 2017: ‘De toekomst van voeding en landbouw
4 European Council Council of the European Union: ‘Valletta Summit on migration, 11-12/11/2015
5 Arne Gillis: ‘Met palmolie aangelengde Europese melk overspoelt Afrika’, MO, 12 april 2019
6 Samira Bendadi: ‘Europa preekt democratie, maar offert die in Tunesië op aan handelsbelangen’, MO, 24 januari 2019
7 Europa Nu: ‘Europa in de wereld. §2: Ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp
8 Foodlog: ‘Rob de Wijk: food for fuel en andere grondstoffen’, 4 maart 2012
9 Ingrid Jansen: ‘Gebruik landbouw in geopolitiek’, NRC, 5 augustus 2019

US and UK struggle to find friends against Iran – and Iraq wants its sky back

President Donald J. Trump and French President Emmanuel Macron in close conversation Saturday June 29. 2019 at the G20 Japan Summit in Osaka Japan (Official White House Photo by Shealah Craighead)


by Paul Rogers

Is it 2003 all over again – but with Iran and Iraq on the same side this time?

Last week’s G7 meeting in Biarritz was notable for hypocrisy about the Amazonian fires. Brazil’s pyromaniac president, Jair Bolsonaro, is certainly a serious problem and the spreading destruction of forests bodes ill for the future, but it hardly becomes the likes of France, Germany, Italy, Japan, the UK and Canada to lecture the Brazilians on the risk of climate breakdown.

Donald Trump at least did everyone a favour by keeping a low profile on this one issue but for six countries at the forefront of high carbon emissions for decades to preach change in Brazil is one more indication of the increasing irrelevance of the G7 itself.

At least on one issue, Iran, there was a worthwhile initiative, with Emmanuel Macron inviting the Iranian foreign minister first to Paris before the summit and then to Biarritz itself. Macron just managed to keep Trump sweet even if US media outlets reported that his advisors were caught on the hop and were furious with the French.

So far there has been little real cooling of tensions and, as it is so often the case in international security issues, it is what the military are doing away from the spotlight that deserves more attention.

Lonely Sentinel

Until a week or so ago the US and its junior partner, the UK, were the only two members of Operation Sentinel, Washington’s intended multinational endeavour at patrolling the Strait of Hormuz. With anything led by the US seen as provocative by Iran and its allies, the British had tried but failed to get a European force together: the Germans would have none of it and the French, too, were dubious.

It cuts little ice with the Trump White House, but the few US diplomats still around who have some understanding of the Middle East know only too well that they badly need truly international action if their Iran policy is to be credible. Long-serving diplomats in the UK Foreign Office understand this much better, not least because of their memories of the way the Iraq war went so badly wrong in 2003.

Their concern, even if not even understood by their current political masters, is that one of the issues that turned the Iraq war into an American endeavour in 2003 was the failure to get a broad international coalition together. The UK ended up as the only country apart from the US that contributed credible forces in that long war that followed, and this could now happen with Iran.

Where are we, then, with the plans for Sentinel? At first sight there has been some progress, but look a little deeper and it is revealed as little more than superficial. As expected, the Royal Navy has expanded its forces in the Gulf, adding a frigate and destroyer to the existing frigate in what was previously a small force focused largely on mine hunting. The hope was that the US would persuade the Australian government and others to come on board.

Canberra has indeed agreed to join Sentinel, according to this week’s Jane’s Defence Weekly, but if we look at the detail its commitment is little more than nominal. A single P-8A Poseidon maritime patrol aircraft will deploy to the Gulf for just one month before the end of the year, one frigate will be based there for six months next year and some Australians will join the operations team in Bahrain.

Moreover, the Australian government is playing it down. “This will be an enhancement of our existing and long-standing contribution to counter-piracy and counter-terrorism mission in the waters of the Middle East,” it said. “Our contribution will be modest, meaningful and time limited,” (italics added).

The one other leader who has made a commitment is King Hamad of Bahrain, a state which is already the home of the US and UK naval forces, is deeply suspicious of Iran and has a singularly bad reputation for suppressing dissent among those of its people who, like most Iranians, follow the Shia branch of Islam.

Iraq pushes back

More significant has been the surprise announcement that Iraq is seeking to restrict coalition military operations in its airspace by requiring approval for them in advance, according to another report in Jane’s Defence Weekly. Iraq’s government leans strongly towards Iran, not least because its support stems from Iraq’s own Shia majority, and it has become increasingly concerned at Israeli attacks on Shia militia facilities in the country.

Israel’s frequent attacks on Hezbollah and Iran-linked groups in Syria and Lebanon are well-known but such operations now seem to have extended to Iraq, with two attacks in July. More recently, on 12 August an explosion at a weapons storage facility at Camp Falcon near Baghdad killed one person and injured 30 others. While these included members of the Iran-backed Popular Mobilisation Force, they also involved Iraqi federal police personnel.

These are assumed to have been Israeli drone attacks, and the Iraqi government’s insistence on controlling its airspace might make it easier to intercept such operations in the future. A more fundamental message to Washington, however, is that Iraq’s relationship with Tehran comes first. That was underlined earlier this week when the powerful Fatah coalition in the Iraqi parliament called for the withdrawal of all 5,000 US troops from the country, following a further presumed Israeli drone strike near the border with Syria last weekend that killed a Popular Mobilisation Force commander.

In short, the Pentagon’s multinational military operation to pressurise Iran is limited to just one major country, the UK, plus a nominal contribution from Australia, but with a key state in the region, Iraq, sending an indirect message of caution.

Add to this the Iranian abilities in irregular warfare if tensions did escalate and it becomes clear that Macron’s efforts at the G7 summit really were worth making. Whether Trump and the noted hawks around him will get the message is far from certain but it may just be that the White House will come under increasing pressure from the US military to tread with caution. Perhaps the Pentagon will even ‘speak truth to power’, but don’t bank on it.

Paul Rogers is professor in the department of peace studies at Bradford University, northern England. He is openDemocracy’s international-security editor, and has been writing a weekly column on global security since 28 September 2001; he also writes a monthly briefing for the Oxford Research Group. His books include Why We’re Losing the War on Terror (Polity, 2007), and Losing Control: Global Security in the 21st Century (Pluto Press, 3rd edition, 2010). He is on twitter at: @ProfPRogers

This article first appeared on openDemocracy 30 August 2019

De sterke comeback van Rusland onder Poetin

The Supreme Commander-in-Chief with Acting Governor of St Petersburg Alexander Beglov, left, and Defence Minister Sergei Shoigu after the Main Naval Parade. Photo: Press Office, President of Russia.


Het sterke presidentiële systeem stelde Poetin in staat orde op zaken te stellen. Rusland weigert zich te onderwerpen aan de VS. De anti-Rusland lobby, de sancties en de demonisering van Poetin hebben daar niets aan kunnen veranderen. Poetin zet in op een multipolaire wereld en roept de westerse expansie een halt toe. Poetin kan bogen op een zelfvoorzienend, gediversifieerd Rusland dat zich kan meten met elke industriële grootmacht.

“Amerika heeft maar weinig kijk op Poetin, een fenomeen dat misschien voortvloeit uit verminderde betrokkenheid van de Amerikaanse elite met Rusland, verzwakte taalvaardigheden, en een versleten kijk op de wereld. Men mag kritiek hebben op Poetin, maar zijn presidentschap is wel een succes. Poetin begreep waar het op aankomt: realistische doelstellingen die je ook haalt.” Dat schreef Scott Horton, die voor een beschrijving van de wanorde waarin Boris Jeltsin zijn land had achtergelaten verwees naar Sergei Kovalev: geplunderde industrie, lege schatkist, laag nationaal zelfvertrouwen, radeloze politieke klasse en een cynische bevolking.

Rusland mag dan na de val van de Sovjet-Unie hebben afgerekend met het monopolie van de Communistische Partij, het ontwikkelde vervolgens wel een sterk presidentieel systeem met maar weinig checks and balances. Dit systeem verschilt van het westerse democratische model, maar wordt wel gedragen door de Russische bevolking en kan principieel dus niet als ondemocratisch worden aangemerkt. Het is een opkomend democratisch model dat nog moet rijpen.1 Het systeem stelde Poetin in staat zijn greep te versterken op de wetgevende macht, de partijopbouw, de regio’s en de media. De oligarchen werden getemd, er kwamen weer belastingen binnen en het Kremlin won aan gezag.

De anti-Rusland lobby zette een serieus tandje bij

Het weggeeftoneel in de Jeltsin-periode dat met wederzijds goedvinden langs beide zijden van de oceaan werd opgevoerd moet in het westen de illusie hebben gewekt dat Rusland in het vervolg de rol zou spelen van dienaar van westerse belangen. Toen dat een valse illusie bleek zette de anti-Rusland lobby een serieus tandje bij. De lobby zag in Rusland met zijn formidabele kernmacht, energiereserves en bijzondere geostrategische ligging een struikelblok in zijn opdracht om post-Koude-oorlog de macht van Amerika maximaal uit te bouwen. Zelfs in de jaren 1990, toen Rusland niet meer in staat was om macht uit te oefenen bekreunden sommige leden van de Amerikaanse politieke klasse zich over de toekomstige herleving van de Euraziatische reus als revisionistische mogendheid.

In het Amerikaanse Project for the New American Century was geen plaats voor rivalen. Amerika moest de controle krijgen over het potentieel bedreigende militaire apparaat en de energiereserves van anderen. Rusland moest de VS steunen als wereldmacht, vrijwillig of onvrijwillig. Het moest in de pas van het Amerikaanse buitenlands beleid lopen en een politiek en economisch systeem ontwikkelen waar de VS invloed op kon uitoefenen. Het alternatief was door het leven gaan als paria, geïsoleerd, voortdurend beschuldigd van kwalijk gedrag, onderworpen aan sancties en in onzekerheid om als regime te overleven in een door de VS gedomineerde wereld.2

Fast forward naar vandaag, en we kunnen vaststellen dat de hoop op harmonie bij het einde van de Koude Oorlog heeft plaatsgemaakt voor een conflict van waarden tussen de VS en Rusland. Amerikaanse en Russische media beschuldigen elkaars overheden ervan het internationale recht te schenden, cynisch en onrechtvaardig bezig te zijn en elke menselijke waardigheid aan hun laars te lappen. Bij herhaling wordt Poetin vergeleken met Hitler en het Kremlin uitgemaakt als een corrupt regime dat de oppositie onderdrukt en militaire agressie pleegt. Het Russische antwoord is dat het land zijn systeem en legitieme belangen verdedigt tegen economische, politieke en militaire agressie van het westen.

De gekte rond Rusland gaat eerder over Trump dan over Rusland

De VS en Rusland waren niet gedoemd tot een confrontatie. Er bestond wederzijds volop steun voor samenwerking rond gedeelde belangen als terrorisme, regionale stabiliteit en ontwapening. Amerikaans wantrouwen en gebrek aan zelfvertrouwen haalden het echter op gezond verstand. De VS zag in Rusland een rivaal en begon het land in een negatief daglicht te stellen. Maar alles wijst erop dat de gekte rond Rusland eerder gaat over Trump dan over Rusland. Het Amerikaans vertrouwen in eigen waarden neemt af. De VS beseft dat het steeds meer als bedreiging van de wereldvrede wordt gezien. Het wint dus geen harten en geesten meer, maar ronselt buitenlandse activisten en bespioneert regeringen. Het goede voorbeeld van weleer maakt plaats voor pressie, afluisteren en omkoping.

Washington’s grootste misvatting was om post-Sovjet Rusland te behandelen als een verslagen vijand die net als Duitsland en Japan na de Tweede Wereldoorlog kon worden gedwongen in het Amerikaanse gareel te lopen. De denkfout was dat Rusland niet was bezet of door kernwapens verwoest. Rusland had een transformatie ondergaan, maar was niet overwonnen. Het was Gorbachev, niet het Witte Huis, die een einde had gemaakt aan de Sovjet-Unie. Een even grote fout was dat de VS in 1992 verzuimde de prille Russische democratie economisch te steunen. Daarmee had de economische ramp kunnen worden voorkomen en het land voor het westerse kamp gewonnen.

Poetin trok zijn rode lijn, de westerse expansie moest een halt worden toegeroepen

Intussen heeft Rusland moeten toezien hoe de NAVO alle voormalige Warschaupactleden behalve natuurlijk Rusland zelf wist in te lijven. De Amerikaanse diplomaat George Kennan, de geestelijke vader van de indammingspolitiek tegen de Sovjet-Unie, had daar tegen gewaarschuwd. Voor Kennan was Rusland geen militaire bedreiging voor het westen en zou het oprukken van de NAVO tot een nieuwe Koude Oorlog leiden. Toen sprake was van toetreding van Georgië en Oekraïne tot de NAVO en de EU trok Poetin zijn rode lijn: het veiligheidsrisico was te groot geworden, de westerse expansie moest een halt worden toegeroepen.3

Na de annexatie van de Krim sloot Poetin een defensieverdrag met Zuid-Ossetië (onderdeel van Georgië). Eerder was dat al gebeurd met Abchazië (idem). Nu de onafhankelijkheid van deze gebieden geen internationale erkenning kreeg behoren zij tot de categorie ‘bevroren conflicten’ die Europese plannen met Moldavië, Georgië en Oekraïne kunnen dwarsbomen. De uitbreiding van de Russische invloedssfeer was ongetwijfeld een reactie op de expansiezucht van de NAVO en de EU. En Rusland ging er geostrategisch op vooruit toen Europa moest afrekenen met zaken als de vluchtelingencrisis en Brexit, en Trump de NAVO in vraag stelde.4

Vandaag staan opnieuw twee nucleaire grootmachten tegenover elkaar. Rusland heeft vooralsnog de overhand in het spel: het Syrië-dossier, de diplomatie in het Midden-Oosten, de proxy war in Oekraïne, de relatie met Turkije, het Korea-dossier, het zijn allemaal dossiers die Rusland doen uitgroeien van regionale speler tot wereldspeler.5

Een scenario met IS in Damascus is een existentiële bedreiging

De nieuwe Koude Oorlog is gevaarlijker dan de eerste. Het epicentrum lag toen in het verre Berlijn, nu in buurlanden Oekraïne en de Baltische staten. De afspraken van na de Cubaanse rakettencrisis van 1962 bestaan niet meer. De demonisering van Poetin neemt ongekende proporties aan. De VS beschuldigt hem er bij herhaling van Assad te steunen in plaats van de terreur te bestrijden. Zijn reactie kan enkel een kleur op Amerikaanse wangen opwekken: “Zonder Assad implodeert Syrië net als Irak en Libië en verdwijnt het Syrische leger. Wie levert dan boots on the ground tegen IS?” Een scenario met IS in Damascus is niet enkel een existentiële bedreiging voor Rusland, maar voor de wijde regio.6

Als we de sinds de jaren 1990 in Moskou woonachtige Finse jurist Jon Hellevig mogen geloven worden de mainstream media centraal aangestuurd met berichten over Rusland die niet kloppen. Hellevig begon de propaganda dus door te prikken met analyses over de Russische economie in de nasleep van de sancties die de westerse mogendheden aan Rusland hadden opgelegd na de Oekraïne-crisis van 2014. Het klopt volgens Hellevig niet dat de Russische economie de omvang heeft van die van Nederland, Rusland niets produceert en niet meer is dan een benzinestation met kernbommen. De werkelijkheid is dat Poetin zijn land tegen 2013 had getransformeerd tot een zelfvoorzienende, gediversifieerde grote mogendheid die zich kon meten met elke industriële grootmacht.

De conclusie van Hellevig’s onderzoek naar de economische ontwikkeling van Rusland in de periode 2000-2014 kan als volgt worden samengevat: “De door jaren van roofkapitalisme geruïneerde economie van de jaren 1990 die Poetin in 2000 erfde heeft nu een omvang bereikt die het geloof rechtvaardigt dat Rusland de industriële doorbraak kan realiseren die de president heeft aangekondigd. Daarmee heeft Rusland de sanctieoorlog gewonnen.” Het rapport deed een oproep aan westerse leiders hun pogingen om de Russische economie door sancties schade te berokkenen en een kernoorlog te riskeren op te geven.

Een vervolgrapport over 2014-2016 laat zien hoe Rusland ondanks de sancties enkel sterker werd. Het logenstraft ook westerse analisten die volhouden dat olie en aardgas 60% van het Russische BBP uitmaken: energie maakt 60% uit van de Russische export, en slechts 10% van het BBP. En in zijn rapport van november 2018 verklaart Hellevig dat Rusland moeiteloos de sanctieoorlog heeft gewonnen en is uitgegroeid tot een industriële, agrarische, militaire en geopolitieke supermogendheid.

De alliantie Beijing-Moskou leidt tot een serieuze verschuiving van het machtsevenwicht

Blijkbaar dringen de feiten door in westelijke kringen. Kennelijk moet de Franse president Macron namens het westen de betrekkingen met Rusland verbeteren. Schoorvoetend luidt het dat Rusland maar weer moet worden toegelaten tot de G7. Macron was daarbij heel expliciet: “Het westen takelt af. De alliantie Beijing-Moskou leidt tot een serieuze verschuiving van het machtsevenwicht in de wereld”. De Franse president legde de schuld niet exclusief bij de huidige Amerikaanse regering, maar hij moet hebben gedoeld op de vervreemding van Rusland die het land in de armen van China heeft geduwd, en dat de Russische beer zo snel mogelijk los moet van de Chinese draak.7

Mogen we de cijfers van Hellevig serieus nemen? Het Duitse internetmagazine Telepolis wijst op de Russische doelstelling om de op vier na grootste economie ter wereld te worden, vóór Duitsland. Het Russische BBP in koopkrachtpariteit is sinds 2000 meer dan verdrievoudigd en ook andere economische indicatoren zijn aanzienlijk verbeterd. PricewaterhouseCoopers denkt dat Rusland Duitsland in 2030 economisch inhaalt en zijn leiderschap niet meer zal opgeven. Daartoe zal Rusland betere groeicijfers moeten halen. Het land moet zijn potentieel activeren. Per saldo zijn de tekenen goed, aldus Telepolis.8

Samenvattend kunnen we vaststellen dat Rusland onder Poetin een sterke comeback heeft gemaakt, op het wereldtoneel serieus wordt genomen en heeft bijgedragen aan de neergang van de suprematie van het westen.

1Andrei P. Tsygankov: ‘Russiaphobia. Anti-Russian Lobby and American Foreign Policy’, 2009, p. 94
2Ibid., p. 22
3Laurien Crump: ‘Rusland maakt zich al eeuwen terecht zorgen om westerse uitbreiding’, Geschiedenis Magazine nr. 5, juli/aug. 2017
4Katlijn Malfliet: ‘Poetinisme. Een Russisch fenomeen’, p. 123
5Ibid., p. 160
6Stephen F. Cohen: ‘Why the New Cold War Is More Dangerous Than the Preceding One’, The Nation, 19 april 2017
7Jon Hellevig: “New World Order in Meltdown, But Russia Stronger Than Ever”, The Saker Blog, 30 augustus 2019
8Viktor Heese: ‘Russland bald stärkste Volkswirtschaft Europas und fünftgrößte der Welt?’, Telepolis, 22 december 2018