De destructieve cocktail Trump-Netanyahu: blind voor de realiteit

President Donald J. Trump delivers remarks with Israeli Prime Minister Benjamin Netanyahu Tuesday, Jan. 28, 2020, in the East Room of the White House to unveil details of the Trump administration’s Middle East Peace Plan. (Official White House Photo by Shealah Craighead)


Na twee mislukte afzettingspogingen blaakt Trump van zelfvertrouwen. In zijn State of the Union moeten kleurlingen, moslims en vreemdelingen het ontgelden, en associeert hij Palestijnen met terrorisme. Voor buitenlandminister Pompeo is “de Heer aan het werk” als Trump “het Joodse volk redt”. Israël staat op winst, maar niet voor eeuwig.

In een historische zitting op 5 februari sprak de door Republikeinen gedomineerde Senaat de Amerikaanse president Donald Trump vrij van beschuldigingen in verband met zijn bemoeienis met Oekraïne. Eerder, op 18 december 2019, had het Huis van Afgevaardigden, waar Democraten de meerderheid hebben, zijn afzetting wel goedgekeurd. Vorig jaar had de president ook het Mueller-onderzoek overleefd naar Russische bemoeienis met de Amerikaanse verkiezingen, in een één-tweetje tussen Trumps campagneteam en de entourage van de Russische president Poetin. De twee overwinningen hebben Trumps positie enorm versterkt, en daarmee zijn herverkiezingskansen.

Op 4 februari, toen het vaststond dat hij in de Senaat zou worden vrijgesproken, hield Trump zijn State of the Union-toespraak in het Congres. Aan de vooravond van zijn mogelijke herverkiezing kreeg zijn gehoor vooral campagnetaal voorgeschoteld. “Onze vijanden zijn verjaagd, onze welvaart neemt toe, we gaan een veelbelovende toekomst tegemoet”, aldus Trump. Maar gegeven de zichtbare verdeeldheid in het Congres kan men eerder spreken van een State of the Disunion. En qua buitenlandse politiek was het meer van hetzelfde: machtsuitoefening, inzet van het leger, en imperialisme. In de visie van Trump maakt overheersing met de dreiging van geweld Amerika great again.

Trumps kiezerspubliek gaat voor

De president mikte vooral op zijn kiezerspubliek: blanke christelijke republikeinen. Na zichzelf in de bloemetjes te hebben gezet over werkgelegenheid, aandelenmarkt, onderwijs en handelsakkoorden, voerde hij een toneelstukje op om zijn gehoor wijs te maken dat zijn regering niets had tegen mensen van een ander ras. Zo voerde hij een ‘gekleurd’ meisje op die een studiebeurs had gekregen, en een dito veteraan uit het leger die het dankzij zijn Tax Cuts and Jobs Act van drugsverslaafde tot succesvolle zakenman had gebracht. En Raul Ortiz van de grenspolitie werd voor het voetlicht gehaald voor zijn records in het onderscheppen van drugs en mensensmokkelaars.

De boodschap was duidelijk: in een blank land tel je als kleurling mee als je steun geeft aan de criminalisering van je rasgenoten en aan instellingen die geweld op hen loslaten. Trump mag dan aanvoeren dat zijn regering opkomt voor vrijheid van godsdienst, de werkelijkheid is eerder godsdienstvrijheid voor christenen. Het inreisverbod voor mensen uit moslimlanden dat steeds verder wordt uitgebreid, en andere beleidsmaatregelen die moslims viseren, zijn zaken die voor zich spreken. Dit onderdeel in Trumps speech ging dus over christelijke hegemonie, en moslims die voor hem vooral een bedreiging inhouden voor de nationale veiligheid, en niet vallen onder de vrijheid van godsdienst.

Wel heel cynisch waren zijn opmerkingen over de moord op de Iraanse generaal Qassem Soleimani. Die had volgens Trump als ‘topterrorist’ veel doden op zijn geweten, waaronder sergeant Christopher Hake, wiens familie in het publiek zaten. Veel internationale juristen zien in de standrechtelijke moord op een hoge functionaris van een land waar men niet mee in oorlog is als een grove inbreuk op het internationaal recht. En Trumps boodschap aan de Iraanse bevolking was zonder meer tenenkrommend. Mensen die zuchten onder de verlammende Amerikaanse sancties “kunnen rekenen op een goed herstel daarvan als zij niet te trots of te dwaas zijn om onze hulp te vragen”, aldus de Amerikaanse president.

In een verdedigingsoorlog is bezet gebied verworven

Trump legde een verband tussen de strijd tegen ‘radicaal moslimterrorisme’ en zijn Peace to Prosperity plan in de kwestie-Palestina. De associatie van Palestijnen met terrorisme moet dienen om een Palestijnse afwijzing van zijn plan te kunnen toeschrijven aan hun criminele ingesteldheid. Voor Trump staan alle lichten op groen. Trumps vrijgevigheid aan de Israëlische premier Netanyahu is ongehoord: Jeruzalem Israëls hoofdstad, annexatie van de Syrische Golan en de Palestijnse Jordaanvallei. Van het een komt dan het ander. Een Israëlische topfunctionaris vertrouwde een Haaretz-reporter toe dat je normaal geen eigenaar wordt van bezet gebied, maar blijkbaar wel bij een verdedigingsoorlog.

En zo halen Trump en Netanyahu een kruis over een Palestijnse staat, en elke onderhandeling daarover. Trump heeft elke Amerikaanse financiering stopgezet van de VN-organisatie UNRWA, de belangrijkste werkgever en zorgverlener in de Palestijnse vluchtelingenkampen. Onderzoek door het Internationaal Strafhof naar Israëlische oorlogsmisdaden wordt maximaal tegengewerkt. Voor Trump staat anti-zionisme gelijk aan antisemitisme en wordt dus vervolgd. Voor de Amerikaanse buitenlandminister Pompeo, aanhanger van een zeer conservatieve tak van de evangelische kerk, was Trump mischien voorbestemd om het Joodse volk te redden. “Hier is de Heer aan het werk”, aldus Pompeo.

De Palestijnen hebben weinig te verwachten van de Arabische staten en Europa. Trump-Netanyahu is een destructieve cocktail, blind voor de realiteit. De houdbaarheidsdatum van de Palestijnse Abbas-gerontocratie is vele jaren verstreken. Ooit staan nieuwe Palestijnse leiders op die het tij kunnen keren. Trump en Netanyahu zijn niet bezig met de verovering van het Midden-Oosten, maar creëren wel de omstandigheden voor een volgende oorlog. Israël, dat zich door niets of niemand iets laat gezeggen, is wel de laatste mogendheid die het kwaad dat het aanricht inziet, of beseft dat het aan de basis ligt van vele generaties conflict. Vandaag staat het land op winst, maar niet voor eeuwig.

EU strategic autonomy: realistic or pipe dream?

German Chancellor Angela Merkel, addressing the Munich Security Conference, February 2, 2019 (still from CNN video ‘Merkel hammers Trump as Ivanka looks on’ on YouTube)


Strategic autonomy is not sufficient to become a global player. Europe must aim at independence: departure of American troops, a single foreign policy and a European defence.

In recent years, the issue of ‘strategic autonomy’ has been the order of the day within the EU. The discussion dates back to decades ago. Since the Second World War just about every American president insisted that European allies must contribute their ‘fair share’ to the NATO budget. That contribution was set at 2% of GDP, a completely random yard-stick because it was not substantiated by real threats, not the hyped up threats that we all too often get presented. Under the ‘America First’ policy of Donald Trump in the White House, the debate has deepened and hardened. And Trump made statements that cast doubt on the US security guarantee.

European defence has been a topic, too. First initiatives were the establishment of a European Defence Fund (EDF) and the Permanent Structured Cooperation (PESCO). It was hoped that the renewed Franco-German friendship treaty that Merkel and Macron signed on January 22, 2019 would herald new steps. But there is little news in the treaty. The parties to the treaty pledged to take steps to improve coordination of foreign policy and defence, at the same time strengthening European defence capabilities. But hardly anything was said about a joint vision on the grand chessboard, the changing balance of power in the world.

Europe is waiting for Germany and France to take the lead

The response from Donald Tusk, President of the European Council until 1 December 2019, was spot on: Europe is waiting for Germany and France to take the lead in order to achieve further integration, prompting European member states to step by step entrust Brussels with parts of their national sovereignty. But exactly that is the problem. The European Union has grown far too fast. To the extent that there is question of EU integration at all, it has moved ‘horizontally’. Under US pressure, Union enlargement could not proceed quickly enough, and preferably in an easterly direction, against Russia, the great enemy.

The result has been a patchwork of 28, and post-Brexit 27, member states of completely different economic development, population size, language and culture, making any move to achieve unity extremely difficult. Such a detached Union is an open invitation to the US to divide and rule it, and in doing so to continue dominating the EU. The difference with the history of the US is striking: it started with thirteen British colonies with shared sovereignty. Other states were allowed to join, provided that they endorsed the constitution and transferred sovereignty. In a federal state structure, states were given a certain degree of autonomy, but foreign policy and defence remained federal jurisdiction.

History shows that the way the US and EU view the world continues to diverge

On November 28, 2019, Carnegie Europe published a series of essays on how NATO can best serve the interests of its members. The third essay was by Sven Biscop, director at the Egmont Institute and UGent professor, whose central theme was: ‘Whether NATO will continue to exist depends on whether the US and the EU continue to share a broad outlook on the world.’ Well, history shows that that outlook continues to diverge. Examples are the exit from the Iran deal, the climate deal, the far-reaching concessions made to Israeli Prime Minister Netanyahu that violate international law, and the sanctions on Russia’s Nord Stream 2 gas pipeline to supply Germany. Will the US determine from whom Germany buys its natural gas?

In Biscop’s view, the US and the EU are the two most important partners in NATO. One can argue with that. The EU does not act as a single member. Large member states Germany and France lead the European club and are not always aligned. The EU is not an equal partner. The US dominates, and gives the impression that its proposals should rather serve its own interests. And the US is exerting heavy pressure within NATO to buy American weaponry, think of the F-35 Joint Strike Fighter that RAND portrays as ‘practically useless’, irrespective of whether combat aircraft fit into a modern defense policy.

China knows how to exploit European divisions

Biscop is pleased to note that for the first time since World War II, Europe is no longer the primary theater for American strategy. Yet, in Biscop’s view, Europe is useful to the US: with Europe on its side, the US is in a much better position to compete with China. Once again, a somewhat unworldly statement. Surely, the EU does not have a uniform China policy. Knowing very well how to exploit the divisions in the Union, China has concluded important bilateral deals with countries like Greece, Italy and even Luxembourg, and it has bought at least 360 companies in Europe in the last ten years, especially in the United Kingdom and Germany. Biscop may well claim that deterring Russia will become the most important goal for European NATO-members, the question to be asked is: deter from what, where does Europe see Russian aggression?

Biscop is right to say that the combative style of the Trump government increases the difference in views on China, and that opposing views on Syria, Iran and trade have further blurred the relationship. Biscop is also right to say that this problem should not be discussed in a NATO context. But why doesn’t Biscop argue for placing an organisation like the OPCW on the NATO agenda? It appears the chemical watchdog can be used at will by the US, UK and France to provoke military attacks that should lead to the overthrow of the legitimate government of an OPCW member. Such an organization is no longer useful, and something is utterly wrong with the behaviour of major powers.

Biscop is urging the US to take the EU seriously and to get into the habit of discussing matters that concern both parties. A strong discussion about strategy does not in itself make differences disappear, but the issues have in any case been discussed. One can hope that Biscop’s call to the Americans will be heard. But after all, it is no more than a plea for diplomacy that lubricates relations between states. Exactly that is not the strongest aspect of American foreign policy. America is used to exerting pressure, threatening with sanctions, a technique to which Europe or an individual member state all too often concedes. But what is not can still come.

Europe will never be a United States, and a European army is not in the cards

On December 17, 2019, the Egmont Institute organised a working lunch with a senior European official on the EU’s ambition to become an autonomous global player, defending and promoting its interests through ‘hard power’. It is an issue that apparently is on the strategic agenda of the newly appointed commission. The speaker criticised, as could be expected, the divisions between the member states, but his solutions were poorly: we have to work on our mindset, improve institutional functioning, break the power of the dollar by strengthening the euro. But Europe will never become a United States, and a European army is not in the cards, he told his audience.

The discourse all boiled down to the rhetorical question ‘how do we achieve that strategic autonomy’. Unfortunately, that is the wrong question. To become a global player, Europe must free itself from the American yoke. Autonomy is not enough, we must become independent. America will only respect us if we take on our own defence and request America to kindly withdraw its troops and 480 nuclear weapons from Europe. We must review our alliances. We have alienated Russia that had lost the Cold War. Russia is our European neighbour. But the US will not receive well a European rapprochement with Russia. That is only true, but it will be a unique opportunity to show our backbone, show that we mean it.

Is that the way forward, or is it ‘swearing in church’, rocking the boat? Biscop recently observed that such a way of thinking does little good for the credibility of the person foolhardy enough to put forward the idea. Maybe he’s right. But if it depends on French president Macron, who declared NATO brain-dead and who sticked to that position, it just might go that way. Whether he will get the noses of the rest of the EU in one direction in the short term seems to be out of the question. It will take at least one generation to reach that stage, and by then the Chinese will have confronted us with the facts.

So the only options available to us seem to be: assemble a core Europe around Macron’s France in the foreseeable future, or remain the US’s eternal puppet.

A version in Dutch of this article first appeared on De Wereld Morgen and Geopolitiek in context

Europese strategische autonomie: haalbaar of hersenschim?

Dutch PM Mark Rutte in a tête-à-tête with American president Barack Obama (photo: The White House, Wikimedia Commons)


Om wereldspeler te worden volstaat strategische autonomie niet. Europa moet streven naar onafhankelijkheid: Amerikaanse troepen naar huis, een uniform buitenlands beleid en een Europese defensie.

De afgelopen jaren is binnen de EU het thema “strategische autonomie” aan de orde van de dag. De discussie begon al tientallen jaren geleden. Zowat elke Amerikaanse president sinds de Tweede Wereldoorlog hamert erop dat de Europese bondgenoten hun fair share moeten bijdragen aan de NAVO-begroting. Die bijdrage was bepaald op 2% van het BBP, een volkomen uit de lucht gegrepen maatstaf want niet onderbouwd met échte dreigingen, niet de gehypte die we te vaak voorgeschoteld krijgen. Onder het America First beleid van Donald Trump in het Witte Huis is het debat verdiept en verhard. Trump deed uitspraken die deden twijfelen aan de Amerikaanse veiligheidsgarantie.

Tegelijk wordt gesproken over Europese defensie. De eerste stappen werden gezet met de oprichting van een Europees Defensiefonds (EDF) en de Permanent Gestructureerde Samenwerking (PESCO). Gehoopt werd dat het hernieuwde Frans-Duitse vriendschapsverdrag dat Merkel en Macron tekenden op 22 januari 2019 nieuwe stappen zou inluiden. Maar er staat maar weinig nieuws in het verdrag. Partijen willen stappen zetten om hun buitenlandse politiek en defensie beter te coördineren en stellen versterking voor van Europese defensiecapaciteiten. Maar over een gezamenlijke visie op de grand chessboard, het veranderende machtsevenwicht in de wereld, wordt nauwelijks iets gezegd.

Europa zit erop te wachten dat Duitsland en Frankrijk het voortouw nemen

De reactie van Donald Tusk, tot 1 december 2019 voorzitter van de Europese Raad, was niet mis: Europa zit erop te wachten dat Duitsland en Frankrijk het voortouw nemen om te komen tot verdere integratie, waarbij Europese lidstaten stap voor stap delen van hun soevereiniteit aan Brussel toevertrouwen. Maar dit is precies het probleem. De Europese Unie is veel te snel gegroeid. Voorzover men al van integratie kan spreken is die in de EU ‘horizontaal’ verlopen. Onder druk van de VS kon de uitbreiding van de Unie niet snel genoeg verlopen, en liefst in oostelijke richting, aanschurkend tegen Rusland, de grote vijand.

Het resultaat is een lappendeken geworden van 28, na Brexit nog 27, lidstaten van totaal verschillende economische ontwikkeling, bevolkingsomvang, taal en cultuur, waar wel heel moeilijk eenheid in te krijgen is. Zo’n losse Unie laat de VS perfect toe een verdeel en heerspolitiek te voeren, en daarmee de EU te blijven domineren. Het verschil met het ontstaan van de VS is frappant: dat begon met dertien Britse kolonies met gedeelde soevereiniteit. Andere staten mochten zich aansluiten, mits onderschrijving van de grondwet en integrale overdracht van soevereiniteit. In een federale staatsstructuur kregen de staten een zekere mate van autonomie, maar zaken als buitenlandse zaken en defensie bleven federale bevoegdheden.

De geschiedenis leert dat de kijk van de VS en de EU op de wereld steeds verder uiteenloopt

Op 28 november 2019 publiceerde Carnegie Europe een serie essays over hoe de NAVO de belangen van haar leden best dient. Het derde essay was van Sven Biscop, directeur bij het Egmontinstituut en UGent professor, wiens centrale thema was: ‘Of de NAVO blijft bestaan hangt af van de vraag of de VS en de EU een brede kijk op de wereld blijven delen’. Welnu, de geschiedenis leert dat die kijk steeds verder uiteenloopt. Denk aan de uitstap uit de Irandeal, de klimaatdeal, de verregaande toegevingen aan de Israëlische premier Netanyahu die in strijd zijn met het internationale recht, de sancties op de Russische gaspijpleiding Nord Stream 2 ter bevoorrading van Duitsland. Zal de VS bepalen van wie Duitsland zijn aardgas koopt?

Voor Biscop zijn de VS en de EU de twee belangrijkste partners in de NAVO. Daarop is af te dingen. De EU treedt niet als één lid op. Grote lidstaten Duitsland en Frankrijk voeren de Europese club aan en zitten lang niet altijd op één lijn. De EU is geen gelijkwaardige partner. De VS domineert, en wekt de schijn dat voorstellen van Washington eerder eigen belangen moeten dienen. En de VS oefent binnen de NAVO zware druk uit om Amerikaanse wapens te kopen, denk aan de F-35 Joint Strike Fighter die door RAND wordt afgeschilderd als ‘zowat nutteloos’, nog afgezien of gevechtsvliegtuigen wel in een modern defensiebeleid passen.

China weet de Europese verdeeldheid goed uit te buiten

Tevreden stelt Biscop vast dat voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog Europa niet langer het primaire theater is voor de Amerikaanse strategie. Toch heeft Europa nut voor de VS, aldus Biscop: met Europa aan zijn zijde kan de VS beter opboksen tegen China. Opnieuw een wat wereldvreemde stelling. De EU heeft immers geen uniforme Chinapolitiek. China weet de verdeeldheid goed uit te buiten, en sluit geopolitiek belangrijke bilaterale deals af met landen als Griekenland, Italië en zelfs Luxemburg, en kocht de voorbije tien jaar minstens 360 bedrijven in Europa, vooral in het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. En waar Biscop zegt dat het afschrikken van Rusland het belangrijkste doel wordt voor Europese NAVO-leden moet de vraag luiden: afschrikken voor wat, waar ziet Europa Russische agressie?

Biscop heeft gelijk dat de strijdlustige stijl van de regering-Trump de verschillende visies op China vergroot, en dat tegengestelde visies op Syrië, Iran en handel de relatie verder heeft vertroebeld. Terecht zegt Biscop dat dit probleem niet in NAVO-verband besproken moet worden. Maar waarom pleit Biscop er niet voor een organisatie als de OPCW op de NAVO-agenda te plaatsen? De chemische waakhond kan naar believen door de VS, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk worden gebruikt om militaire aanvallen uit te lokken die moeten leiden tot omverwerping van de legitieme regering van een OPCW-lid. Zo’n organisatie heeft dan geen nut meer, en is er iets grondig mis met het gedrag van de grote mogendheden.

Biscop doet een klemmend beroep op de VS om de EU serieus te nemen en de gewoonte aan te leren om te overleggen over zaken die beide partijen aangaan. Een stevige discussie over strategie doet op zichzelf de verschillen niet verdwijnen, maar ze worden in ieder geval besproken. Men mag hopen dat Biscop’s oproep aan de Amerikanen wordt gehoord. Het is niet meer dan een pleidooi voor diplomatie die relaties tussen staten smeert. Dat is nu niet de sterkste kant van het Amerikaanse buitenlands beleid. Amerika is gewend om druk uit te oefenen, met sancties te dreigen, een techniek waar Europa of een individuele lidstaat maar al te vaak aan toegeeft. Maar wat niet is kan nog komen.

Europa wordt nooit een Verenigde Staten, en een Europees leger kunnen we wel vergeten

Op 17 december 2019 organiseerde het Egmontinstituut een werklunch met een hoge Europese ambtenaar over de ambitie van de EU om autonome speler te worden op het wereldtoneel, om zijn belangen te verdedigen en te promoten door ‘hard power’. Het is een issue dat blijkbaar op de strategische agenda staat van de nieuw aangetreden commissie. De spreker hekelde zoals te verwachten de verdeeldheid tussen de lidstaten, maar zijn oplossingen waren aan de magere kant: we moeten werken aan onze mentaliteit, het institutioneel functioneren verbeteren, de macht van de dollar breken door de Euro te versterken. Maar Europa wordt nooit een Verenigde Staten, en een Europees leger kunnen we wel vergeten, zo klonk het.

Het bleef dus bij een ‘hoe bereiken we die strategische autonomie’. Maar dat is de verkeerde vraag. Om wereldspeler te worden moet Europa onder het Amerikaanse juk uit. Autonomie volstaat niet, we moeten onafhankelijk worden. Amerika zal ons enkel respecteren als we onze defensie zelf op ons nemen en Amerika vragen zijn troepen en 480 kernwapens uit Europa terug te trekken. We moeten onze allianties herbekijken. We hebben Rusland dat de Koude Oorlog had verloren van ons vervreemd. Rusland is onze Europese buur. Maar een toenadering tot Rusland zal de VS ons niet in dank afnemen. Dat is dan maar zo, dan kunnen we eens onze ruggengraat tonen, laten zien dat we het menen.

Gaat het die kant op, of is het “vloeken in de kerk”? Biscop heeft eens gezegd dat zo’n denktrant weinig goed doet aan de geloofwaardigheid van degene die de vermetelheid heeft het idee naar voren te brengen. Misschien heeft hij gelijk. Maar als het van de Franse president Macron, die de NAVO hersendood verklaarde en bij dat standpunt bleef, afhangt, kan het misschien toch die kant op. Of hij de neuzen van de rest van de EU op korte termijn in één richting krijgt lijkt uitgesloten. Daar zal nog minstens één generatie overheen moeten gaan, en dan zijn we al door de Chinezen met de neus op de feiten gedrukt.

Dan blijft de enige keuze: op afzienbare termijn een kern-Europa rond het Frankrijk van Macron verzamelen, of de eeuwige vazal van de VS blijven.

Het Egmontinstituut, spreekbuis van Buitenlandse Zaken

Palais d’Egmont – Egmontpaleis, Brussels. Photo: Zinneke (Wikimedia Commons)


Het Egmontinstituut kleurt niet buiten de lijntjes van het ministerie: een EU-defensie ondermijnt de NAVO niet, maar verzwakt wel de Amerikaanse overheersing. Kernwapens blijven essentieel voor het Instituut. De publicaties zijn gehypothekeerd door Anglo-Amerikaans denken.

In België is het Egmontinstituut, officieel “Egmont-Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen”, dé denktank op het gebied van buitenlands beleid. Het Instituut, dat in het drietalige België en naar het buitenland toe opereert als Egmont Institute, herformuleerde recent zijn doelstellingen. Vandaag zijn die samengevat: ‘Toegepast onderzoek van internationale vraagstukken die België en de EU raken, en voorlichting van de publieke opinie ter zake’. Om die doelstellingen te realiseren organiseert het Instituut vormingssessies en expertenvergaderingen, neemt het deel aan internationale conferenties, publiceert het studies en geeft het tijdschriften uit.

Egmont is een Stichting in de schoot van – en wordt gefinancierd door – het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het Instituut ontvangt ook beperkte donaties voor specifiek onderzoek, maar werkt niet voor de particuliere sector. Buitenlandse ambassades hebben, mits een gift van €750/jaar, rechtstreeks toegang tot het interessante Egmont expertisenetwerk. Lobbyfacts spreekt over een jaarrekening 2017 van €904.433 en een organisatie van 19 lobbyisten, maar Egmont directeur-generaal Johan Verbeke laat weten dat de organisatie 18 mensen in dienst heeft, werkt met 15 associate fellows die niet op de payroll staan, geen private partners kent en geen lobbywerk verricht.

Europese strategische autonomie en een Europees leger

Het kloppende hart van het Instituut is onderzoek. Het resultaat wordt gepubliceerd in policy briefs die online beschikbaar zijn. Veel van die stukken zijn van de hand van de directeur van het programma “Europa in de wereld”, Sven Biscop, die tevens doceert aan de Universiteit Gent en het Europacollege in Brugge. Centraal in Biscop’s recente publicaties staat zijn pleidooi voor Europese strategische autonomie en een Europees leger, waarbij zaken als het gebrek aan een ééngemaakt Europees buitenlands beleid, toch essentieel voor een ééngemaakte defensie, en het feit dat Europa met handen en voeten gebonden is aan de NAVO en daarmee aan Washington, slechts summier aan de orde komen.

Biscop spreekt in zijn Security Policy Brief nr. 114 wat luchthartig over Russische subversie. Hij onderbouwt die opmerking niet, maar koppelt daar wel de vraag aan of niet “elke inmenging in de EU-soevereiniteit” moet worden beantwoord met vergelding “om Rusland te laten begrijpen dat de EU ook wil gerespecteerd worden”. Tegelijk vreest hij dat zo’n vergelding “alleen maar meer escalatie” oplevert. Biscop’s beschuldiging van Rusland als agressor in het Oekraïne-dossier behoeft toch enige nuancering. Zelfs de immer gerespecteerde Henri Kissinger bevestigt dat men rond de annexatie van de Krim eerder kan spreken van een plausibele Russische reactie op Westers expansionisme.

Europees instrument om militaire macht te projecteren

Ook in het recente Turkije-Syrië-dossier pleit Biscop voor een assertievere Europese houding. Voor hem had de EU een Syrië-strategie moeten ontwikkelen met aanduiding van de groepen die op permanente politieke, economische en militaire steun konden rekenen. Europa heeft enkel ad-hoc deelgenomen aan gevechtsoperaties en lijdzaam toegezien hoe Turkije Syrië is binnengevallen. We kunnen een NAVO-bondgenoot niet met militaire middelen een halt toe roepen. En dreigen dat de EU geen steun zal geven aan de stabilisatie en wederopbouw van door Turkije bezet Syrisch gebied zal Erdogan toch niet op andere gedachten brengen, zo vraagt een vertwijfelde Biscop zich af.

Hier gaat Biscop toch in de fout. Zelfs de Westerse en Arabische aanstichters van de proxy-oorlog in Syrië hadden geen strategie, gebruikten wisselende “rebellengroepen”, en moesten het afleggen tegen het door Russische, Iraanse en Hezbollah-troepen gesteunde Syrische regeringsleger. Zonder VN-mandaat opereren proxy-troepen volstrekt illegaal in de nog altijd internationaal erkende staat Syrië. Biscop ziet in PESCO een instrument om Europese militaire macht te projecteren, zeker met een voormalige Duitse defensieminister als Ursula von der Leyen als voorzitter van de Europese Commissie. Het zijn vérgaande ambities die aan het duistere Duitse verleden herinneren en weinig uitstaans hebben met een Europees verdedigingsapparaat.

Biscop ziet een supranationale Unie waarin lidstaten hun soevereiniteit hebben gebundeld, wereldspeler worden. In zijn visie ondermijnt een strategisch autonoom Europa de NAVO niet, maar verzwakt het wel de Amerikaanse overheersing. Met zijn opmerking dat de Europese lidstaten hun buitenlands beleid afstemmen op dat van de EU, en Brussel de basis vormt voor hun “politiek, economisch, en in de toekomst ook militair gewicht op het wereldtoneel” maakt Biscop zich duidelijk schuldig aan wishful thinking. De Hoge Commissaris voor Buitenlandse Betrekkingen is met handen en voeten gebonden aan het beleid van de regeringsleiders, en die volgen overwegend de “richtlijnen” van de VS.

Europese kernwapens blijven een must

Egmont Senior Associate Fellow Didier Audenaert bepleit een maatschappelijk debat nu het INF-verdrag niet meer bestaat en Europa een grotere inspanning moet doen voor (lees: fors meer geld naar) raketafweer. De kans op een nieuwe wapenwedloop is reëel, aldus Audenaert, die zich afvraagt wat we willen: Amerikaanse raketten in Europa, een eigen raketafweer, of ons neerleggen bij Russische afdreiging? Voor hem moeten burgers worden gemotiveerd voor een veiligheidsapparaat onder NAVO- en EU-auspiciën waarin “nucleaire capaciteiten” essentieel blijven. Geen woord over diplomatie, onderhandelingen over een nieuw verdrag, of toenadering tot Rusland die anderen wel bepleiten.

Wie als academicus toetreedt tot een politieke denktank die afhangt van het Ministerie van Buitenlandse Zaken weet op voorhand dat hij of zij moet opereren binnen krijtlijnen die het ministerie bepaalt. En wie als academicus hogerop wil raken publiceert in top-wetenschappelijke tijdschriften, waarvan de ranking wordt bepaald door Anglo-Amerikaanse universiteiten. Deze lieden reproduceren dus onvermijdelijk Anglo-Amerikaanse denkpatronen. Voor exacte wetenschappers is dat geen probleem zolang hun publicaties ook nieuwe informatie bevatten of tot nieuwe inzichten leiden. Maar van politieke wetenschappers mag men verwachten dat zij zich ook oriënteren op andere denkpatronen.

Anglo-Amerikaans denken

Egmont ontkomt niet aan “besmetting” door Anglo-Amerikaans denken. Het Instituut weerspiegelt het buitenlands beleid van een land dat de hoofdkwartieren van de EU en de NAVO herbergt. Kritiek op die instellingen is not done. Tegen die achtergrond zijn vraagtekens bij het onderdeel “voorlichting van de publieke opinie” in de Egmont-doelstellingen legitiem. Verwacht van een Egmont-auteur geen bevestiging van de hersendood van de NAVO, of een pleidooi voor een alliantie met Rusland en het vertrek uit Europa van alle Amerikaanse troepen, inclusief de 480 tactische kernwapens in België (Kleine Brogel), Duitsland, Groot-Brittannië, Italië, Nederland (Volkel), en Turkije.

Waar het Egmontinstituut vooral in uitblinkt is het organiseren van congressen en seminars. Een goed voorbeeld is het seminar ‘Russia and Europe in the context of global migration’ op 25 maart 2019, waar Russische, Europese en Belgische denktankmedewerkers, beleidsverantwoordelijken en journalisten zich bogen over de politieke en sociale aspecten rond migratie en de vraag wat Rusland en de EU over deze issues van elkaar kunnen leren. Als het seminar tevens moest passen binnen het kader van de voorzichtige pogingen om het ijs tussen Rusland en het Westen te breken doen het supra vermelde stuk van Didier Audenaert en de losse opmerking van Sven Biscop over Russische subversie daar geen goed aan.

Anglo-Amerikaans denken is wijdverbreid bij politieke wetenschappers in het Westen. Het risico van groepsdenken is dan niet denkbeeldig. Zij die erin slagen daaraan te ontsnappen zijn de politieke changemakers die de geopolitieke impasse waarin het Westen – en Europa in het bijzonder – verkeert kunnen helpen doorbreken.

Luidt de onrust in Libanon een nieuwe vluchtelingenstroom naar Europa in?

A woman from Homs, Syria, now a refugee in Lebanon, shows off knitted woolen clothes that she’s learnt how to make, with support from the International Rescue Committee and UK aid. Picture: Russell Watkins/DFID (Wikimedia Commons)


De onlusten in het op de rand van bankroet verkerende Libanon kunnen het land doen ineenstorten. Het risico van een uitdeinende regionale oorlog en een omvangrijke nieuwe vluchtelingenstroom richting Europa is reëel. De EU moet dringend doortastende initiatieven ontplooien om dat te voorkomen.

‘Middle East Eye’ (MEE) is één van de vele websites die de internationale politiek analyseert. Het is een absoluut pareltje. Terwijl België focust op de ellenlang aanslepende formatie van een federale regering en Nederland op de stakende boeren, Europa zich bezighoudt met Brexit en uitbreiding met nog eens twee lidstaten, en de wereld zich bekreunt over de Turkse inval in Noord-Syrië, komt Marco Carnelos, een weinig bekende voormalige Italiaanse diplomaat, op MEE in alle bescheidenheid met een nuchter, kort en bondig opiniestuk dat op de voorpagina van elk zichzelf respecterend dagblad zou moeten staan, en in prime time op radio en televisie aan de orde zou moeten komen.

Parallel met de Eerste Wereldoorlog

Waarom Europa Libanon van de afgrond moet redden’, dat is de titel van Carnelos’ stuk waaruit we hieronder citeren. Wie herinnert zich nog de Libanese burgeroorlog in de periode 1975-1990 die een kwart miljoen mensen de dood injoeg en een miljoen mensen op de vlucht deed slaan? In vergelijking wordt dat klein bier als Carnelos gelijk krijgt. De situatie in het Midden-Oosten van vandaag doet sterk denken aan die in Europa aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Slaat in Libanon opnieuw de vlam in de pan, dan kunnen veel landen in het conflict worden meegesleept. Libanon ligt op een boogscheut van de Syrische slagvelden, en de spanning tussen Hezbollah en Israël is om te snijden.

Zoals de protesten van afgelopen week hebben laten zien is de Libanese bevolking de slechte economische situatie en de politieke impasse meer dan beu. Libanon mag dan een klein landje zijn, het is wel altijd een politieke barometer geweest voor de regio. De Cedar Revolution na de moord op premier Rafic Hariri in 2005 zette mee de Arabische Lente in gang. De hoop op politieke verandering van toen slaat vandaag om in wanhoop over tal van zaken, met het verschrikkelijke economische wanbeheer met stip op de eerste plaats. Met $12 miljard inkomsten, $84 miljard schuld en rentebetalingen van meer dan $5 miljard in 2019 staat het land aan de rand van een faillissement Griekse stijl.

Noodplannen om een nieuwe vluchtelingencrisis te voorkomen

Met een eigen bevolking van nog geen 4 miljoen herbergt Libanon 1,5 miljoen Syriërs die de afgelopen jaren de oorlog in hun land zijn ontvlucht, naast de ruim 400.000 statenloze Palestijnse vluchtelingen sinds de Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948. Daarmee herbergt Libanon mondiaal het grootste aantal vluchtelingen per hoofd van de bevolking. Een nieuwe oorlog tussen Hezbollah en Israël kan tot een implosie van het land leiden, en een grote stroom Syrische vluchtelingen richting Europa in gang zetten. Sommigen proberen zich al richting Turkije te verplaatsen. Indachtig de migrantencrisis van 2014/2015 doet Europa er goed aan noodplannen op te stellen om een herhaling te voorkomen.

Europa moet een economische implosie in Libanon voorkomen. Het moet de politieke leiders aanzetten een effectieve regering te vormen. Er moet een einde komen aan de corruptie aan de top. Het politieke geschipper van de afgelopen vijftien jaar dat het land heeft verlamd moet worden doorbroken. Om Hezbollah te raken heeft de Amerikaanse Centrale Bank door sancties op Libanese banken de problemen alleen maar vergroot. Europa moet Washington onder zware druk zetten om die sancties per direct op te heffen. En Libanon kan niet langer het toneel zijn waarop de VS, Iran, Saoedi-Arabië en ieders huurlingengroepen hun rekeningen vereffenen.

Hezbollah ligt niet aan de basis van alle problemen in Libanon

De grote geesten in Washington, Jeruzalem en Riyadh denken altijd dat Hezbollah aan de basis ligt van alle problemen in Libanon. Maar dat is naïef. De aanhoudende Amerikaanse druk heeft de beweging niet kunnen verzwakken. Hezbollah kreeg nog extra wind in de zeilen met de verkiezing van president Michel Aoun in 2016. De beweging, die kan rekenen op een grote aanhang, heeft zelf heeft 12 zetels, maar samen met bondgenoten kan Hezbollah bogen op 70 van de 128 zetels in het parlement. Gegeven de groeiende onrust onder de bevolking moet de beweging zich wel realiseren dat het land niet langer op de zelfde manier kan worden bestuurd. De onrust kan de beweging ook overweldigen.

Gegeven het risico op een nieuwe vluchtelingencrisis moet Europa een sterke proactieve rol spelen. Landen als Frankrijk en Italië die belangen in Libanon hebben kunnen laten zien wat ze waard zijn. Met het Libanese zwaard van Damocles boven Europese hoofden kan de Franse president Macron een initiatief tot een dialoog tussen de VS en Iran wel vergeten. Libanon heeft leiderschap nodig met integere lieden die kunnen bogen op een schone lei. Onafhankelijke, gematigde politici die de bevolkingsgroepen verenigen in plaats van verdelen. Leiders die niet rijk willen worden van hun positie, maar de bevolking vooruithelpen en voorkomen dat een Libanese ineenstorting de regio meesleurt.

De gewelddadige protesten van de afgelopen dagen die het land hebben geteisterd zijn een onheilspellend voorteken voor wat een Libanese failed state kan betekenen voor de regio en de wereld.