NAVO, geostrategisch wapen tegen China

An F/A-18F Super Hornet assigned to the Black Knights of Strike Fighter Squadron (VFA) 154 flies over the aircraft carrier USS Theodore Roosevelt (CVN 71), June 17, 2020. The Theodore Roosevelt Carrier Strike Group is on a scheduled deployment to the Indo-Pacific. (U.S. Navy photo by Mass Communication Specialist 3rd Class Zachary Wheeler/Released)


De NAVO verdedigt zijn bestaansrecht krampachtig. De nieuwe vijand is China. De opkomende wereldmacht is echter al compleet militair omsingeld. Het voortbestaan van de alliantie is na de val van de muur niet enkel een aberratie, maar ook een potentiële bron van groot onheil. De stekker moet uit de NAVO.

Een van de kerntaken van het Egmontinstituut is “voorlichting van de publieke opinie”. Als Stichting in de schoot van het Belgische ministerie van Buitenlandse Zaken is de informatie die het instituut verspreidt niet onafhankelijk. Men moet die dus met een flinke korrel zout nemen. Dat geldt specifiek voor het regelmatig herhaalde pleidooi voor Europese strategische autonomie en een Europees leger. PESCO moet voor het instituut een instrument worden om Europese militaire macht te projecteren. Daarmee gaat Egmont verder dan de NAVO. De website van Buitenlandse Zaken zegt daarover: “België hecht veel belang aan het defensieve [cursivering door de redactie] karakter van het bondgenootschap.” Dat is een statement waar men kanttekeningen bij mag maken.

Europese macht projecteren, in PESCO- of NAVO-verband, is heel wat anders dan defensief optreden. Sinds de val van de muur, voor UAntwerpen professor Tom Sauer de belangrijkste gebeurtenis in de internationale politiek sinds 1945, is de NAVO als alliantie blijven voortbestaan, en dat is volgens Sauer een aberratie in de internationale politiek. “Allianties horen ophouden te bestaan in tijden van vrede”, aldus Sauer. Sindsdien heeft de NAVO naarstig gezocht naar argumenten om haar voortbestaan te verdedigen. Op 8 juni maakte NAVO secretaris-generaal Jens Stoltenberg in een toespraak nog eens duidelijk hoezeer de alliantie op zoek is naar vijanden om haar wankele bestaansrecht te rechtvaardigen.

Confrontatie van China is moeilijk te rijmen met de core business van collectieve defensie

Voor het eerst nam Stoltenberg China op de korrel. “De opkomst van China betekent een verschuiving van het machtsevenwicht in de wereld, brengt de race naar economische en technologische suprematie in een stroomversnelling, bedreigt open samenlevingen, individuele vrijheden en onze manier van leven,” aldus de secretaris-generaal. Een confrontatie van China is toch moeilijk te rijmen met de core business van collectieve defensie. “China heeft het tweede grootste defensiebudget, ontwikkelt raketten die ons kunnen treffen, speelt mee in cyberspace, is actief in het noordpoolgebied en in Afrika. Het land investeert in onze kritieke infrastructuur en werkt steeds nauwer samen met Rusland. Dat alles heeft veiligheidsgevolgen voor de bondgenoten, en dus moeten we reageren,” aldus nog Stoltenberg.

Met ruim 22.000 km heeft China de langste landgrens ter wereld, en een kustlijn van 14.500 km (de Amerikaanse kustlijn is 19.900 km). Het hoeft geen betoog dat dergelijke omvangrijke grenzen een grote verdedigingsmacht vergen, temeer daar de VS met een keten luchtmachtbases en marinehavens de perfecte strop legt rond de nek van zijn rivaal. Een Australische denktank meent dat de Chinese precisieraketten in de eerste uren van een conflict de Amerikaanse militaire bases in de regio gemakkelijk een kopje kleiner kunnen maken. Het Chinese arsenaal langeafstandsraketten ondermijnt het Amerikaanse primaat in de regio, aldus de denktank, die meer investeringen in militaire middelen ziet als remedie.

Stoltenberg laat zich voor het karretje van Washington spannen

Het is duidelijk dat hier geen rol is weggelegd voor de NAVO. De leden van het bondgenootschap hebben zich immers, met een verwijzing naar het Handvest van de Verenigde Naties, ertoe verbonden elk internationaal geschil vreedzaam te beslechten, en af te zien van elke dreiging met, of gebruik van, geweld. Met zijn dreigementen richting China laat Stoltenberg zich voor het karretje van Washington spannen. Wat is er mis met het feit dat Rusland en China “steeds meer samenwerken?” Heeft het Westen de afgelopen tientallen jaren Rusland niet zelf in de armen van China gedreven? Waarom mogen 30 landen in het Westen wel een militaire alliantie vormen, en het duo China en Rusland niet?

De gekte was compleet toen twee Amerikaanse senatoren vorige maand een Pacific Deterrence Initiative voorstelden om de Amerikaanse militaire inzet in Azië uit te breiden en “een sterk signaal af te geven aan de Chinese Communistische Partij dat het Amerikaanse volk zich inzet voor het verdedigen van Amerikaanse belangen in de Indo-Pacific.’ De wereld zou te klein zijn als de Chinese regering zou verklaren dat China zijn belangen in het Amerikaanse continent (militair) zal verdedigen. Als klap op de vuurpijl introduceerde senator Tom Cotton wetgeving getiteld ‘Forging Operational Resistance to Chinese Expansion (FORCE)’, dat Chinese plannen moet dwarsbomen om de VS uit de westelijke Stille Oceaan te verdrijven en de eenwording met Taiwan te realiseren.

Over het Chinese defensiebudget slaat Stoltenberg de plank mis. De NAVO als geheel besteedt vijf maal meer dan China. De bondgenoten geven miljarden uit aan “nieuwe capaciteiten” en NAVO-missies over de hele wereld. In massavernietigingswapens is de alliantie veruit superieur. Vijf Europese landen, waaronder Nederland en België, stationeren 150 Amerikaanse tactische kernwapens die tien tot twintig keer krachtiger zijn dan de bommen op Japan. Deze wapens moeten kunnen worden afgegooid door Europese gevechtsvliegtuigen. De Europese “partners” hebben niets te zeggen over deze wapens, Amerika houdt alle touwtjes in handen. En er wordt mee getraind: niet lang geleden nog in Kleine Brogel en in Duitsland, waarbij Nederlandse en Belgische gevechtspiloten betrokken waren.

Kwetsbaar voor een preëmptieve aanval

De stationering van tactische kernwapens in Europa past in de Amerikaanse strategie om de opkomst van China als wereldmacht te fnuiken. Europa voelt zich daar ongemakkelijk bij. In een tijd waarin demonisering van Rusland en China schering en inslag is, maken Europese landen die Amerikaanse kernwapens stationeren zich kwetsbaar voor een preëmptieve aanval mocht de Amerikaanse president alleen al (eenzijdig) beslissen die wapens in staat van paraatheid te brengen. In de diplomatieke wandelgangen luidt het dat Europa zich moet losmaken uit het Amerikaanse juk. Maar geopolitiek en geostrategisch kan de hopeloos verdeelde Europese Unie geen vuist maken. Het lijkt gedoemd om aan de hand te blijven lopen van America first.

Het Chinese nucleaire arsenaal wordt geschat op 290 kernwapens, nog geen 20% van de NAVO-kernwapens die op China staan gericht. Dan is het absurd om te spreken over een bedreiging van de wereldvrede. China’s arsenaal is er gekomen als antwoord op de Amerikaanse nucleaire dreiging. Amerikaanse atoombommenwerpers die de Zuid-Chinese Zee overvliegen en aanvalsoefeningen door tot de tanden gewapende torpedobootjagers en vliegdekschepen moeten China intimideren en een tegenactie uitlokken. De militaire omsingeling van China neemt steeds verder toe, en wordt gecombineerd met economische druk om de regering te verzwakken.

Stoltenberg mag dan beweren dat “de NAVO China niet ziet als de nieuwe vijand of een tegenstander,” maar de secretaris-generaal verliest elke geloofwaardigheid als hij tegelijk de alliantie oproept om op te treden tegen de “de veiligheidsgevolgen van de opkomst van China.” Het voortbestaan van de NAVO na het einde van de Koude Oorlog is niet enkel een aberratie, maar ook een potentiële bron van groot onheil. De peperdure alliantie kan op geen enkel wapenfeit bogen. De inzet in Afghanistan en Irak was een compleet fiasco. Stoltenberg moest zich doodschamen over zijn opmerking dat de NAVO er toch maar voor gezorgd heeft dat de Afghanen zelf het terrorisme kunnen bestrijden en hun land stabiliseren.

De stekker moet uit de NAVO. In het belang van de wereldvrede.

EU strategic autonomy: realistic or pipe dream?

German Chancellor Angela Merkel, addressing the Munich Security Conference, February 2, 2019 (still from CNN video ‘Merkel hammers Trump as Ivanka looks on’ on YouTube)


Strategic autonomy is not sufficient to become a global player. Europe must aim at independence: departure of American troops, a single foreign policy and a European defence.

In recent years, the issue of ‘strategic autonomy’ has been the order of the day within the EU. The discussion dates back to decades ago. Since the Second World War just about every American president insisted that European allies must contribute their ‘fair share’ to the NATO budget. That contribution was set at 2% of GDP, a completely random yard-stick because it was not substantiated by real threats, not the hyped up threats that we all too often get presented. Under the ‘America First’ policy of Donald Trump in the White House, the debate has deepened and hardened. And Trump made statements that cast doubt on the US security guarantee.

European defence has been a topic, too. First initiatives were the establishment of a European Defence Fund (EDF) and the Permanent Structured Cooperation (PESCO). It was hoped that the renewed Franco-German friendship treaty that Merkel and Macron signed on January 22, 2019 would herald new steps. But there is little news in the treaty. The parties to the treaty pledged to take steps to improve coordination of foreign policy and defence, at the same time strengthening European defence capabilities. But hardly anything was said about a joint vision on the grand chessboard, the changing balance of power in the world.

Europe is waiting for Germany and France to take the lead

The response from Donald Tusk, President of the European Council until 1 December 2019, was spot on: Europe is waiting for Germany and France to take the lead in order to achieve further integration, prompting European member states to step by step entrust Brussels with parts of their national sovereignty. But exactly that is the problem. The European Union has grown far too fast. To the extent that there is question of EU integration at all, it has moved ‘horizontally’. Under US pressure, Union enlargement could not proceed quickly enough, and preferably in an easterly direction, against Russia, the great enemy.

The result has been a patchwork of 28, and post-Brexit 27, member states of completely different economic development, population size, language and culture, making any move to achieve unity extremely difficult. Such a detached Union is an open invitation to the US to divide and rule it, and in doing so to continue dominating the EU. The difference with the history of the US is striking: it started with thirteen British colonies with shared sovereignty. Other states were allowed to join, provided that they endorsed the constitution and transferred sovereignty. In a federal state structure, states were given a certain degree of autonomy, but foreign policy and defence remained federal jurisdiction.

History shows that the way the US and EU view the world continues to diverge

On November 28, 2019, Carnegie Europe published a series of essays on how NATO can best serve the interests of its members. The third essay was by Sven Biscop, director at the Egmont Institute and UGent professor, whose central theme was: ‘Whether NATO will continue to exist depends on whether the US and the EU continue to share a broad outlook on the world.’ Well, history shows that that outlook continues to diverge. Examples are the exit from the Iran deal, the climate deal, the far-reaching concessions made to Israeli Prime Minister Netanyahu that violate international law, and the sanctions on Russia’s Nord Stream 2 gas pipeline to supply Germany. Will the US determine from whom Germany buys its natural gas?

In Biscop’s view, the US and the EU are the two most important partners in NATO. One can argue with that. The EU does not act as a single member. Large member states Germany and France lead the European club and are not always aligned. The EU is not an equal partner. The US dominates, and gives the impression that its proposals should rather serve its own interests. And the US is exerting heavy pressure within NATO to buy American weaponry, think of the F-35 Joint Strike Fighter that RAND portrays as ‘practically useless’, irrespective of whether combat aircraft fit into a modern defense policy.

China knows how to exploit European divisions

Biscop is pleased to note that for the first time since World War II, Europe is no longer the primary theater for American strategy. Yet, in Biscop’s view, Europe is useful to the US: with Europe on its side, the US is in a much better position to compete with China. Once again, a somewhat unworldly statement. Surely, the EU does not have a uniform China policy. Knowing very well how to exploit the divisions in the Union, China has concluded important bilateral deals with countries like Greece, Italy and even Luxembourg, and it has bought at least 360 companies in Europe in the last ten years, especially in the United Kingdom and Germany. Biscop may well claim that deterring Russia will become the most important goal for European NATO-members, the question to be asked is: deter from what, where does Europe see Russian aggression?

Biscop is right to say that the combative style of the Trump government increases the difference in views on China, and that opposing views on Syria, Iran and trade have further blurred the relationship. Biscop is also right to say that this problem should not be discussed in a NATO context. But why doesn’t Biscop argue for placing an organisation like the OPCW on the NATO agenda? It appears the chemical watchdog can be used at will by the US, UK and France to provoke military attacks that should lead to the overthrow of the legitimate government of an OPCW member. Such an organization is no longer useful, and something is utterly wrong with the behaviour of major powers.

Biscop is urging the US to take the EU seriously and to get into the habit of discussing matters that concern both parties. A strong discussion about strategy does not in itself make differences disappear, but the issues have in any case been discussed. One can hope that Biscop’s call to the Americans will be heard. But after all, it is no more than a plea for diplomacy that lubricates relations between states. Exactly that is not the strongest aspect of American foreign policy. America is used to exerting pressure, threatening with sanctions, a technique to which Europe or an individual member state all too often concedes. But what is not can still come.

Europe will never be a United States, and a European army is not in the cards

On December 17, 2019, the Egmont Institute organised a working lunch with a senior European official on the EU’s ambition to become an autonomous global player, defending and promoting its interests through ‘hard power’. It is an issue that apparently is on the strategic agenda of the newly appointed commission. The speaker criticised, as could be expected, the divisions between the member states, but his solutions were poorly: we have to work on our mindset, improve institutional functioning, break the power of the dollar by strengthening the euro. But Europe will never become a United States, and a European army is not in the cards, he told his audience.

The discourse all boiled down to the rhetorical question ‘how do we achieve that strategic autonomy’. Unfortunately, that is the wrong question. To become a global player, Europe must free itself from the American yoke. Autonomy is not enough, we must become independent. America will only respect us if we take on our own defence and request America to kindly withdraw its troops and 480 nuclear weapons from Europe. We must review our alliances. We have alienated Russia that had lost the Cold War. Russia is our European neighbour. But the US will not receive well a European rapprochement with Russia. That is only true, but it will be a unique opportunity to show our backbone, show that we mean it.

Is that the way forward, or is it ‘swearing in church’, rocking the boat? Biscop recently observed that such a way of thinking does little good for the credibility of the person foolhardy enough to put forward the idea. Maybe he’s right. But if it depends on French president Macron, who declared NATO brain-dead and who sticked to that position, it just might go that way. Whether he will get the noses of the rest of the EU in one direction in the short term seems to be out of the question. It will take at least one generation to reach that stage, and by then the Chinese will have confronted us with the facts.

So the only options available to us seem to be: assemble a core Europe around Macron’s France in the foreseeable future, or remain the US’s eternal puppet.

A version in Dutch of this article first appeared on De Wereld Morgen and Geopolitiek in context

Europese strategische autonomie: haalbaar of hersenschim?

Dutch PM Mark Rutte in a tête-à-tête with American president Barack Obama (photo: The White House, Wikimedia Commons)


Om wereldspeler te worden volstaat strategische autonomie niet. Europa moet streven naar onafhankelijkheid: Amerikaanse troepen naar huis, een uniform buitenlands beleid en een Europese defensie.

De afgelopen jaren is binnen de EU het thema “strategische autonomie” aan de orde van de dag. De discussie begon al tientallen jaren geleden. Zowat elke Amerikaanse president sinds de Tweede Wereldoorlog hamert erop dat de Europese bondgenoten hun fair share moeten bijdragen aan de NAVO-begroting. Die bijdrage was bepaald op 2% van het BBP, een volkomen uit de lucht gegrepen maatstaf want niet onderbouwd met échte dreigingen, niet de gehypte die we te vaak voorgeschoteld krijgen. Onder het America First beleid van Donald Trump in het Witte Huis is het debat verdiept en verhard. Trump deed uitspraken die deden twijfelen aan de Amerikaanse veiligheidsgarantie.

Tegelijk wordt gesproken over Europese defensie. De eerste stappen werden gezet met de oprichting van een Europees Defensiefonds (EDF) en de Permanent Gestructureerde Samenwerking (PESCO). Gehoopt werd dat het hernieuwde Frans-Duitse vriendschapsverdrag dat Merkel en Macron tekenden op 22 januari 2019 nieuwe stappen zou inluiden. Maar er staat maar weinig nieuws in het verdrag. Partijen willen stappen zetten om hun buitenlandse politiek en defensie beter te coördineren en stellen versterking voor van Europese defensiecapaciteiten. Maar over een gezamenlijke visie op de grand chessboard, het veranderende machtsevenwicht in de wereld, wordt nauwelijks iets gezegd.

Europa zit erop te wachten dat Duitsland en Frankrijk het voortouw nemen

De reactie van Donald Tusk, tot 1 december 2019 voorzitter van de Europese Raad, was niet mis: Europa zit erop te wachten dat Duitsland en Frankrijk het voortouw nemen om te komen tot verdere integratie, waarbij Europese lidstaten stap voor stap delen van hun soevereiniteit aan Brussel toevertrouwen. Maar dit is precies het probleem. De Europese Unie is veel te snel gegroeid. Voorzover men al van integratie kan spreken is die in de EU ‘horizontaal’ verlopen. Onder druk van de VS kon de uitbreiding van de Unie niet snel genoeg verlopen, en liefst in oostelijke richting, aanschurkend tegen Rusland, de grote vijand.

Het resultaat is een lappendeken geworden van 28, na Brexit nog 27, lidstaten van totaal verschillende economische ontwikkeling, bevolkingsomvang, taal en cultuur, waar wel heel moeilijk eenheid in te krijgen is. Zo’n losse Unie laat de VS perfect toe een verdeel en heerspolitiek te voeren, en daarmee de EU te blijven domineren. Het verschil met het ontstaan van de VS is frappant: dat begon met dertien Britse kolonies met gedeelde soevereiniteit. Andere staten mochten zich aansluiten, mits onderschrijving van de grondwet en integrale overdracht van soevereiniteit. In een federale staatsstructuur kregen de staten een zekere mate van autonomie, maar zaken als buitenlandse zaken en defensie bleven federale bevoegdheden.

De geschiedenis leert dat de kijk van de VS en de EU op de wereld steeds verder uiteenloopt

Op 28 november 2019 publiceerde Carnegie Europe een serie essays over hoe de NAVO de belangen van haar leden best dient. Het derde essay was van Sven Biscop, directeur bij het Egmontinstituut en UGent professor, wiens centrale thema was: ‘Of de NAVO blijft bestaan hangt af van de vraag of de VS en de EU een brede kijk op de wereld blijven delen’. Welnu, de geschiedenis leert dat die kijk steeds verder uiteenloopt. Denk aan de uitstap uit de Irandeal, de klimaatdeal, de verregaande toegevingen aan de Israëlische premier Netanyahu die in strijd zijn met het internationale recht, de sancties op de Russische gaspijpleiding Nord Stream 2 ter bevoorrading van Duitsland. Zal de VS bepalen van wie Duitsland zijn aardgas koopt?

Voor Biscop zijn de VS en de EU de twee belangrijkste partners in de NAVO. Daarop is af te dingen. De EU treedt niet als één lid op. Grote lidstaten Duitsland en Frankrijk voeren de Europese club aan en zitten lang niet altijd op één lijn. De EU is geen gelijkwaardige partner. De VS domineert, en wekt de schijn dat voorstellen van Washington eerder eigen belangen moeten dienen. En de VS oefent binnen de NAVO zware druk uit om Amerikaanse wapens te kopen, denk aan de F-35 Joint Strike Fighter die door RAND wordt afgeschilderd als ‘zowat nutteloos’, nog afgezien of gevechtsvliegtuigen wel in een modern defensiebeleid passen.

China weet de Europese verdeeldheid goed uit te buiten

Tevreden stelt Biscop vast dat voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog Europa niet langer het primaire theater is voor de Amerikaanse strategie. Toch heeft Europa nut voor de VS, aldus Biscop: met Europa aan zijn zijde kan de VS beter opboksen tegen China. Opnieuw een wat wereldvreemde stelling. De EU heeft immers geen uniforme Chinapolitiek. China weet de verdeeldheid goed uit te buiten, en sluit geopolitiek belangrijke bilaterale deals af met landen als Griekenland, Italië en zelfs Luxemburg, en kocht de voorbije tien jaar minstens 360 bedrijven in Europa, vooral in het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. En waar Biscop zegt dat het afschrikken van Rusland het belangrijkste doel wordt voor Europese NAVO-leden moet de vraag luiden: afschrikken voor wat, waar ziet Europa Russische agressie?

Biscop heeft gelijk dat de strijdlustige stijl van de regering-Trump de verschillende visies op China vergroot, en dat tegengestelde visies op Syrië, Iran en handel de relatie verder heeft vertroebeld. Terecht zegt Biscop dat dit probleem niet in NAVO-verband besproken moet worden. Maar waarom pleit Biscop er niet voor een organisatie als de OPCW op de NAVO-agenda te plaatsen? De chemische waakhond kan naar believen door de VS, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk worden gebruikt om militaire aanvallen uit te lokken die moeten leiden tot omverwerping van de legitieme regering van een OPCW-lid. Zo’n organisatie heeft dan geen nut meer, en is er iets grondig mis met het gedrag van de grote mogendheden.

Biscop doet een klemmend beroep op de VS om de EU serieus te nemen en de gewoonte aan te leren om te overleggen over zaken die beide partijen aangaan. Een stevige discussie over strategie doet op zichzelf de verschillen niet verdwijnen, maar ze worden in ieder geval besproken. Men mag hopen dat Biscop’s oproep aan de Amerikanen wordt gehoord. Het is niet meer dan een pleidooi voor diplomatie die relaties tussen staten smeert. Dat is nu niet de sterkste kant van het Amerikaanse buitenlands beleid. Amerika is gewend om druk uit te oefenen, met sancties te dreigen, een techniek waar Europa of een individuele lidstaat maar al te vaak aan toegeeft. Maar wat niet is kan nog komen.

Europa wordt nooit een Verenigde Staten, en een Europees leger kunnen we wel vergeten

Op 17 december 2019 organiseerde het Egmontinstituut een werklunch met een hoge Europese ambtenaar over de ambitie van de EU om autonome speler te worden op het wereldtoneel, om zijn belangen te verdedigen en te promoten door ‘hard power’. Het is een issue dat blijkbaar op de strategische agenda staat van de nieuw aangetreden commissie. De spreker hekelde zoals te verwachten de verdeeldheid tussen de lidstaten, maar zijn oplossingen waren aan de magere kant: we moeten werken aan onze mentaliteit, het institutioneel functioneren verbeteren, de macht van de dollar breken door de Euro te versterken. Maar Europa wordt nooit een Verenigde Staten, en een Europees leger kunnen we wel vergeten, zo klonk het.

Het bleef dus bij een ‘hoe bereiken we die strategische autonomie’. Maar dat is de verkeerde vraag. Om wereldspeler te worden moet Europa onder het Amerikaanse juk uit. Autonomie volstaat niet, we moeten onafhankelijk worden. Amerika zal ons enkel respecteren als we onze defensie zelf op ons nemen en Amerika vragen zijn troepen en 480 kernwapens uit Europa terug te trekken. We moeten onze allianties herbekijken. We hebben Rusland dat de Koude Oorlog had verloren van ons vervreemd. Rusland is onze Europese buur. Maar een toenadering tot Rusland zal de VS ons niet in dank afnemen. Dat is dan maar zo, dan kunnen we eens onze ruggengraat tonen, laten zien dat we het menen.

Gaat het die kant op, of is het “vloeken in de kerk”? Biscop heeft eens gezegd dat zo’n denktrant weinig goed doet aan de geloofwaardigheid van degene die de vermetelheid heeft het idee naar voren te brengen. Misschien heeft hij gelijk. Maar als het van de Franse president Macron, die de NAVO hersendood verklaarde en bij dat standpunt bleef, afhangt, kan het misschien toch die kant op. Of hij de neuzen van de rest van de EU op korte termijn in één richting krijgt lijkt uitgesloten. Daar zal nog minstens één generatie overheen moeten gaan, en dan zijn we al door de Chinezen met de neus op de feiten gedrukt.

Dan blijft de enige keuze: op afzienbare termijn een kern-Europa rond het Frankrijk van Macron verzamelen, of de eeuwige vazal van de VS blijven.

Het Egmontinstituut, spreekbuis van Buitenlandse Zaken

Palais d’Egmont – Egmontpaleis, Brussels. Photo: Zinneke (Wikimedia Commons)


Het Egmontinstituut kleurt niet buiten de lijntjes van het ministerie: een EU-defensie ondermijnt de NAVO niet, maar verzwakt wel de Amerikaanse overheersing. Kernwapens blijven essentieel voor het Instituut. De publicaties zijn gehypothekeerd door Anglo-Amerikaans denken.

In België is het Egmontinstituut, officieel “Egmont-Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen”, dé denktank op het gebied van buitenlands beleid. Het Instituut, dat in het drietalige België en naar het buitenland toe opereert als Egmont Institute, herformuleerde recent zijn doelstellingen. Vandaag zijn die samengevat: ‘Toegepast onderzoek van internationale vraagstukken die België en de EU raken, en voorlichting van de publieke opinie ter zake’. Om die doelstellingen te realiseren organiseert het Instituut vormingssessies en expertenvergaderingen, neemt het deel aan internationale conferenties, publiceert het studies en geeft het tijdschriften uit.

Egmont is een Stichting in de schoot van – en wordt gefinancierd door – het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het Instituut ontvangt ook beperkte donaties voor specifiek onderzoek, maar werkt niet voor de particuliere sector. Buitenlandse ambassades hebben, mits een gift van €750/jaar, rechtstreeks toegang tot het interessante Egmont expertisenetwerk. Lobbyfacts spreekt over een jaarrekening 2017 van €904.433 en een organisatie van 19 lobbyisten, maar Egmont directeur-generaal Johan Verbeke laat weten dat de organisatie 18 mensen in dienst heeft, werkt met 15 associate fellows die niet op de payroll staan, geen private partners kent en geen lobbywerk verricht.

Europese strategische autonomie en een Europees leger

Het kloppende hart van het Instituut is onderzoek. Het resultaat wordt gepubliceerd in policy briefs die online beschikbaar zijn. Veel van die stukken zijn van de hand van de directeur van het programma “Europa in de wereld”, Sven Biscop, die tevens doceert aan de Universiteit Gent en het Europacollege in Brugge. Centraal in Biscop’s recente publicaties staat zijn pleidooi voor Europese strategische autonomie en een Europees leger, waarbij zaken als het gebrek aan een ééngemaakt Europees buitenlands beleid, toch essentieel voor een ééngemaakte defensie, en het feit dat Europa met handen en voeten gebonden is aan de NAVO en daarmee aan Washington, slechts summier aan de orde komen.

Biscop spreekt in zijn Security Policy Brief nr. 114 wat luchthartig over Russische subversie. Hij onderbouwt die opmerking niet, maar koppelt daar wel de vraag aan of niet “elke inmenging in de EU-soevereiniteit” moet worden beantwoord met vergelding “om Rusland te laten begrijpen dat de EU ook wil gerespecteerd worden”. Tegelijk vreest hij dat zo’n vergelding “alleen maar meer escalatie” oplevert. Biscop’s beschuldiging van Rusland als agressor in het Oekraïne-dossier behoeft toch enige nuancering. Zelfs de immer gerespecteerde Henri Kissinger bevestigt dat men rond de annexatie van de Krim eerder kan spreken van een plausibele Russische reactie op Westers expansionisme.

Europees instrument om militaire macht te projecteren

Ook in het recente Turkije-Syrië-dossier pleit Biscop voor een assertievere Europese houding. Voor hem had de EU een Syrië-strategie moeten ontwikkelen met aanduiding van de groepen die op permanente politieke, economische en militaire steun konden rekenen. Europa heeft enkel ad-hoc deelgenomen aan gevechtsoperaties en lijdzaam toegezien hoe Turkije Syrië is binnengevallen. We kunnen een NAVO-bondgenoot niet met militaire middelen een halt toe roepen. En dreigen dat de EU geen steun zal geven aan de stabilisatie en wederopbouw van door Turkije bezet Syrisch gebied zal Erdogan toch niet op andere gedachten brengen, zo vraagt een vertwijfelde Biscop zich af.

Hier gaat Biscop toch in de fout. Zelfs de Westerse en Arabische aanstichters van de proxy-oorlog in Syrië hadden geen strategie, gebruikten wisselende “rebellengroepen”, en moesten het afleggen tegen het door Russische, Iraanse en Hezbollah-troepen gesteunde Syrische regeringsleger. Zonder VN-mandaat opereren proxy-troepen volstrekt illegaal in de nog altijd internationaal erkende staat Syrië. Biscop ziet in PESCO een instrument om Europese militaire macht te projecteren, zeker met een voormalige Duitse defensieminister als Ursula von der Leyen als voorzitter van de Europese Commissie. Het zijn vérgaande ambities die aan het duistere Duitse verleden herinneren en weinig uitstaans hebben met een Europees verdedigingsapparaat.

Biscop ziet een supranationale Unie waarin lidstaten hun soevereiniteit hebben gebundeld, wereldspeler worden. In zijn visie ondermijnt een strategisch autonoom Europa de NAVO niet, maar verzwakt het wel de Amerikaanse overheersing. Met zijn opmerking dat de Europese lidstaten hun buitenlands beleid afstemmen op dat van de EU, en Brussel de basis vormt voor hun “politiek, economisch, en in de toekomst ook militair gewicht op het wereldtoneel” maakt Biscop zich duidelijk schuldig aan wishful thinking. De Hoge Commissaris voor Buitenlandse Betrekkingen is met handen en voeten gebonden aan het beleid van de regeringsleiders, en die volgen overwegend de “richtlijnen” van de VS.

Europese kernwapens blijven een must

Egmont Senior Associate Fellow Didier Audenaert bepleit een maatschappelijk debat nu het INF-verdrag niet meer bestaat en Europa een grotere inspanning moet doen voor (lees: fors meer geld naar) raketafweer. De kans op een nieuwe wapenwedloop is reëel, aldus Audenaert, die zich afvraagt wat we willen: Amerikaanse raketten in Europa, een eigen raketafweer, of ons neerleggen bij Russische afdreiging? Voor hem moeten burgers worden gemotiveerd voor een veiligheidsapparaat onder NAVO- en EU-auspiciën waarin “nucleaire capaciteiten” essentieel blijven. Geen woord over diplomatie, onderhandelingen over een nieuw verdrag, of toenadering tot Rusland die anderen wel bepleiten.

Wie als academicus toetreedt tot een politieke denktank die afhangt van het Ministerie van Buitenlandse Zaken weet op voorhand dat hij of zij moet opereren binnen krijtlijnen die het ministerie bepaalt. En wie als academicus hogerop wil raken publiceert in top-wetenschappelijke tijdschriften, waarvan de ranking wordt bepaald door Anglo-Amerikaanse universiteiten. Deze lieden reproduceren dus onvermijdelijk Anglo-Amerikaanse denkpatronen. Voor exacte wetenschappers is dat geen probleem zolang hun publicaties ook nieuwe informatie bevatten of tot nieuwe inzichten leiden. Maar van politieke wetenschappers mag men verwachten dat zij zich ook oriënteren op andere denkpatronen.

Anglo-Amerikaans denken

Egmont ontkomt niet aan “besmetting” door Anglo-Amerikaans denken. Het Instituut weerspiegelt het buitenlands beleid van een land dat de hoofdkwartieren van de EU en de NAVO herbergt. Kritiek op die instellingen is not done. Tegen die achtergrond zijn vraagtekens bij het onderdeel “voorlichting van de publieke opinie” in de Egmont-doelstellingen legitiem. Verwacht van een Egmont-auteur geen bevestiging van de hersendood van de NAVO, of een pleidooi voor een alliantie met Rusland en het vertrek uit Europa van alle Amerikaanse troepen, inclusief de 480 tactische kernwapens in België (Kleine Brogel), Duitsland, Groot-Brittannië, Italië, Nederland (Volkel), en Turkije.

Waar het Egmontinstituut vooral in uitblinkt is het organiseren van congressen en seminars. Een goed voorbeeld is het seminar ‘Russia and Europe in the context of global migration’ op 25 maart 2019, waar Russische, Europese en Belgische denktankmedewerkers, beleidsverantwoordelijken en journalisten zich bogen over de politieke en sociale aspecten rond migratie en de vraag wat Rusland en de EU over deze issues van elkaar kunnen leren. Als het seminar tevens moest passen binnen het kader van de voorzichtige pogingen om het ijs tussen Rusland en het Westen te breken doen het supra vermelde stuk van Didier Audenaert en de losse opmerking van Sven Biscop over Russische subversie daar geen goed aan.

Anglo-Amerikaans denken is wijdverbreid bij politieke wetenschappers in het Westen. Het risico van groepsdenken is dan niet denkbeeldig. Zij die erin slagen daaraan te ontsnappen zijn de politieke changemakers die de geopolitieke impasse waarin het Westen – en Europa in het bijzonder – verkeert kunnen helpen doorbreken.

De sterke comeback van Rusland onder Poetin

The Supreme Commander-in-Chief with Acting Governor of St Petersburg Alexander Beglov, left, and Defence Minister Sergei Shoigu after the Main Naval Parade. Photo: Press Office, President of Russia.


Het sterke presidentiële systeem stelde Poetin in staat orde op zaken te stellen. Rusland weigert zich te onderwerpen aan de VS. De anti-Rusland lobby, de sancties en de demonisering van Poetin hebben daar niets aan kunnen veranderen. Poetin zet in op een multipolaire wereld en roept de westerse expansie een halt toe. Poetin kan bogen op een zelfvoorzienend, gediversifieerd Rusland dat zich kan meten met elke industriële grootmacht.

“Amerika heeft maar weinig kijk op Poetin, een fenomeen dat misschien voortvloeit uit verminderde betrokkenheid van de Amerikaanse elite met Rusland, verzwakte taalvaardigheden, en een versleten kijk op de wereld. Men mag kritiek hebben op Poetin, maar zijn presidentschap is wel een succes. Poetin begreep waar het op aankomt: realistische doelstellingen die je ook haalt.” Dat schreef Scott Horton, die voor een beschrijving van de wanorde waarin Boris Jeltsin zijn land had achtergelaten verwees naar Sergei Kovalev: geplunderde industrie, lege schatkist, laag nationaal zelfvertrouwen, radeloze politieke klasse en een cynische bevolking.

Rusland mag dan na de val van de Sovjet-Unie hebben afgerekend met het monopolie van de Communistische Partij, het ontwikkelde vervolgens wel een sterk presidentieel systeem met maar weinig checks and balances. Dit systeem verschilt van het westerse democratische model, maar wordt wel gedragen door de Russische bevolking en kan principieel dus niet als ondemocratisch worden aangemerkt. Het is een opkomend democratisch model dat nog moet rijpen.1 Het systeem stelde Poetin in staat zijn greep te versterken op de wetgevende macht, de partijopbouw, de regio’s en de media. De oligarchen werden getemd, er kwamen weer belastingen binnen en het Kremlin won aan gezag.

De anti-Rusland lobby zette een serieus tandje bij

Het weggeeftoneel in de Jeltsin-periode dat met wederzijds goedvinden langs beide zijden van de oceaan werd opgevoerd moet in het westen de illusie hebben gewekt dat Rusland in het vervolg de rol zou spelen van dienaar van westerse belangen. Toen dat een valse illusie bleek zette de anti-Rusland lobby een serieus tandje bij. De lobby zag in Rusland met zijn formidabele kernmacht, energiereserves en bijzondere geostrategische ligging een struikelblok in zijn opdracht om post-Koude-oorlog de macht van Amerika maximaal uit te bouwen. Zelfs in de jaren 1990, toen Rusland niet meer in staat was om macht uit te oefenen bekreunden sommige leden van de Amerikaanse politieke klasse zich over de toekomstige herleving van de Euraziatische reus als revisionistische mogendheid.

In het Amerikaanse Project for the New American Century was geen plaats voor rivalen. Amerika moest de controle krijgen over het potentieel bedreigende militaire apparaat en de energiereserves van anderen. Rusland moest de VS steunen als wereldmacht, vrijwillig of onvrijwillig. Het moest in de pas van het Amerikaanse buitenlands beleid lopen en een politiek en economisch systeem ontwikkelen waar de VS invloed op kon uitoefenen. Het alternatief was door het leven gaan als paria, geïsoleerd, voortdurend beschuldigd van kwalijk gedrag, onderworpen aan sancties en in onzekerheid om als regime te overleven in een door de VS gedomineerde wereld.2

Fast forward naar vandaag, en we kunnen vaststellen dat de hoop op harmonie bij het einde van de Koude Oorlog heeft plaatsgemaakt voor een conflict van waarden tussen de VS en Rusland. Amerikaanse en Russische media beschuldigen elkaars overheden ervan het internationale recht te schenden, cynisch en onrechtvaardig bezig te zijn en elke menselijke waardigheid aan hun laars te lappen. Bij herhaling wordt Poetin vergeleken met Hitler en het Kremlin uitgemaakt als een corrupt regime dat de oppositie onderdrukt en militaire agressie pleegt. Het Russische antwoord is dat het land zijn systeem en legitieme belangen verdedigt tegen economische, politieke en militaire agressie van het westen.

De gekte rond Rusland gaat eerder over Trump dan over Rusland

De VS en Rusland waren niet gedoemd tot een confrontatie. Er bestond wederzijds volop steun voor samenwerking rond gedeelde belangen als terrorisme, regionale stabiliteit en ontwapening. Amerikaans wantrouwen en gebrek aan zelfvertrouwen haalden het echter op gezond verstand. De VS zag in Rusland een rivaal en begon het land in een negatief daglicht te stellen. Maar alles wijst erop dat de gekte rond Rusland eerder gaat over Trump dan over Rusland. Het Amerikaans vertrouwen in eigen waarden neemt af. De VS beseft dat het steeds meer als bedreiging van de wereldvrede wordt gezien. Het wint dus geen harten en geesten meer, maar ronselt buitenlandse activisten en bespioneert regeringen. Het goede voorbeeld van weleer maakt plaats voor pressie, afluisteren en omkoping.

Washington’s grootste misvatting was om post-Sovjet Rusland te behandelen als een verslagen vijand die net als Duitsland en Japan na de Tweede Wereldoorlog kon worden gedwongen in het Amerikaanse gareel te lopen. De denkfout was dat Rusland niet was bezet of door kernwapens verwoest. Rusland had een transformatie ondergaan, maar was niet overwonnen. Het was Gorbachev, niet het Witte Huis, die een einde had gemaakt aan de Sovjet-Unie. Een even grote fout was dat de VS in 1992 verzuimde de prille Russische democratie economisch te steunen. Daarmee had de economische ramp kunnen worden voorkomen en het land voor het westerse kamp gewonnen.

Poetin trok zijn rode lijn, de westerse expansie moest een halt worden toegeroepen

Intussen heeft Rusland moeten toezien hoe de NAVO alle voormalige Warschaupactleden behalve natuurlijk Rusland zelf wist in te lijven. De Amerikaanse diplomaat George Kennan, de geestelijke vader van de indammingspolitiek tegen de Sovjet-Unie, had daar tegen gewaarschuwd. Voor Kennan was Rusland geen militaire bedreiging voor het westen en zou het oprukken van de NAVO tot een nieuwe Koude Oorlog leiden. Toen sprake was van toetreding van Georgië en Oekraïne tot de NAVO en de EU trok Poetin zijn rode lijn: het veiligheidsrisico was te groot geworden, de westerse expansie moest een halt worden toegeroepen.3

Na de annexatie van de Krim sloot Poetin een defensieverdrag met Zuid-Ossetië (onderdeel van Georgië). Eerder was dat al gebeurd met Abchazië (idem). Nu de onafhankelijkheid van deze gebieden geen internationale erkenning kreeg behoren zij tot de categorie ‘bevroren conflicten’ die Europese plannen met Moldavië, Georgië en Oekraïne kunnen dwarsbomen. De uitbreiding van de Russische invloedssfeer was ongetwijfeld een reactie op de expansiezucht van de NAVO en de EU. En Rusland ging er geostrategisch op vooruit toen Europa moest afrekenen met zaken als de vluchtelingencrisis en Brexit, en Trump de NAVO in vraag stelde.4

Vandaag staan opnieuw twee nucleaire grootmachten tegenover elkaar. Rusland heeft vooralsnog de overhand in het spel: het Syrië-dossier, de diplomatie in het Midden-Oosten, de proxy war in Oekraïne, de relatie met Turkije, het Korea-dossier, het zijn allemaal dossiers die Rusland doen uitgroeien van regionale speler tot wereldspeler.5

Een scenario met IS in Damascus is een existentiële bedreiging

De nieuwe Koude Oorlog is gevaarlijker dan de eerste. Het epicentrum lag toen in het verre Berlijn, nu in buurlanden Oekraïne en de Baltische staten. De afspraken van na de Cubaanse rakettencrisis van 1962 bestaan niet meer. De demonisering van Poetin neemt ongekende proporties aan. De VS beschuldigt hem er bij herhaling van Assad te steunen in plaats van de terreur te bestrijden. Zijn reactie kan enkel een kleur op Amerikaanse wangen opwekken: “Zonder Assad implodeert Syrië net als Irak en Libië en verdwijnt het Syrische leger. Wie levert dan boots on the ground tegen IS?” Een scenario met IS in Damascus is niet enkel een existentiële bedreiging voor Rusland, maar voor de wijde regio.6

Als we de sinds de jaren 1990 in Moskou woonachtige Finse jurist Jon Hellevig mogen geloven worden de mainstream media centraal aangestuurd met berichten over Rusland die niet kloppen. Hellevig begon de propaganda dus door te prikken met analyses over de Russische economie in de nasleep van de sancties die de westerse mogendheden aan Rusland hadden opgelegd na de Oekraïne-crisis van 2014. Het klopt volgens Hellevig niet dat de Russische economie de omvang heeft van die van Nederland, Rusland niets produceert en niet meer is dan een benzinestation met kernbommen. De werkelijkheid is dat Poetin zijn land tegen 2013 had getransformeerd tot een zelfvoorzienende, gediversifieerde grote mogendheid die zich kon meten met elke industriële grootmacht.

De conclusie van Hellevig’s onderzoek naar de economische ontwikkeling van Rusland in de periode 2000-2014 kan als volgt worden samengevat: “De door jaren van roofkapitalisme geruïneerde economie van de jaren 1990 die Poetin in 2000 erfde heeft nu een omvang bereikt die het geloof rechtvaardigt dat Rusland de industriële doorbraak kan realiseren die de president heeft aangekondigd. Daarmee heeft Rusland de sanctieoorlog gewonnen.” Het rapport deed een oproep aan westerse leiders hun pogingen om de Russische economie door sancties schade te berokkenen en een kernoorlog te riskeren op te geven.

Een vervolgrapport over 2014-2016 laat zien hoe Rusland ondanks de sancties enkel sterker werd. Het logenstraft ook westerse analisten die volhouden dat olie en aardgas 60% van het Russische BBP uitmaken: energie maakt 60% uit van de Russische export, en slechts 10% van het BBP. En in zijn rapport van november 2018 verklaart Hellevig dat Rusland moeiteloos de sanctieoorlog heeft gewonnen en is uitgegroeid tot een industriële, agrarische, militaire en geopolitieke supermogendheid.

De alliantie Beijing-Moskou leidt tot een serieuze verschuiving van het machtsevenwicht

Blijkbaar dringen de feiten door in westelijke kringen. Kennelijk moet de Franse president Macron namens het westen de betrekkingen met Rusland verbeteren. Schoorvoetend luidt het dat Rusland maar weer moet worden toegelaten tot de G7. Macron was daarbij heel expliciet: “Het westen takelt af. De alliantie Beijing-Moskou leidt tot een serieuze verschuiving van het machtsevenwicht in de wereld”. De Franse president legde de schuld niet exclusief bij de huidige Amerikaanse regering, maar hij moet hebben gedoeld op de vervreemding van Rusland die het land in de armen van China heeft geduwd, en dat de Russische beer zo snel mogelijk los moet van de Chinese draak.7

Mogen we de cijfers van Hellevig serieus nemen? Het Duitse internetmagazine Telepolis wijst op de Russische doelstelling om de op vier na grootste economie ter wereld te worden, vóór Duitsland. Het Russische BBP in koopkrachtpariteit is sinds 2000 meer dan verdrievoudigd en ook andere economische indicatoren zijn aanzienlijk verbeterd. PricewaterhouseCoopers denkt dat Rusland Duitsland in 2030 economisch inhaalt en zijn leiderschap niet meer zal opgeven. Daartoe zal Rusland betere groeicijfers moeten halen. Het land moet zijn potentieel activeren. Per saldo zijn de tekenen goed, aldus Telepolis.8

Samenvattend kunnen we vaststellen dat Rusland onder Poetin een sterke comeback heeft gemaakt, op het wereldtoneel serieus wordt genomen en heeft bijgedragen aan de neergang van de suprematie van het westen.

1Andrei P. Tsygankov: ‘Russiaphobia. Anti-Russian Lobby and American Foreign Policy’, 2009, p. 94
2Ibid., p. 22
3Laurien Crump: ‘Rusland maakt zich al eeuwen terecht zorgen om westerse uitbreiding’, Geschiedenis Magazine nr. 5, juli/aug. 2017
4Katlijn Malfliet: ‘Poetinisme. Een Russisch fenomeen’, p. 123
5Ibid., p. 160
6Stephen F. Cohen: ‘Why the New Cold War Is More Dangerous Than the Preceding One’, The Nation, 19 april 2017
7Jon Hellevig: “New World Order in Meltdown, But Russia Stronger Than Ever”, The Saker Blog, 30 augustus 2019
8Viktor Heese: ‘Russland bald stärkste Volkswirtschaft Europas und fünftgrößte der Welt?’, Telepolis, 22 december 2018