Wordt het tijd voor een expertenregering in België?

Professor Grondwettelijk Recht Marc Uyttendaele (screenshot van Terzake 19 februari 2020)


België is al meer dan een jaar zonder volwaardige regering. De eeuwige politici zijn blijkbaar niet in staat over hun eigen schaduw heen te stappen. De voorstellen van Marc De Vos en Johan Vande Lanotte moeten leiden tot een regering van experten die na grondige hervormingen en nieuwe verkiezingen de fakkel terug aan verantwoordelijke politici in een hervormde staat kunnen geven. Een zoveelste informatieronde is nutteloos.

Op 14 februari heeft de koning informateur Koen Geens van zijn informatieopdracht ontheven, en vervolgens de voorzitters van Senaat en Kamer gevraagd contacten te leggen ‘met het oog op de vorming van een volwaardige regering’. Volgens VRT-journalist Pieterjan De Smedt wordt hun opdracht bijzonder moeilijk. “De politieke crisis is ernstig, de relaties zijn verzuurd, er is afkoeling nodig”. Maar is het probleem wel “aangebrande” politici? Leidt de zoveelste koninklijke opdracht na negen maanden ‘informeren’ niet tot nog meer tijdsverlies? Moeten wij niet vaststellen dat de politici weigeren hun job te doen, impopulaire maatregelen te nemen? Spelen deze dames en heren niet met koninklijke, en onze, voeten?

In “De afspraak” van 18 februari gaf professor Marc De Vos een voorzet om de impasse te doorbreken. Zijn expertisecommissies leveren dan na zes maanden enkele scenario’s op over sociale zekerheid, belastinghervorming, het klimaat, enzovoort, maar dan moet er nog een maatschappelijk debat komen en zouden verkiezingen over concrete onderwerpen een slagkrachtige federale regering moeten opleveren. Reken alles bijeen op een jaar. Zoveel tijdsverlies kunnen we ons niet veroorloven. En men kan zich vragen stellen bij zijn volgorde. “Eerst een begroting opstellen”, aldus De Vos. Is een begroting niet nu juist het sluitstuk van een politiek akkoord?

Impotente politici

Ons land heeft meer dan genoeg kwaliteit in huis om ons uit de crisis te leiden. De koning laat onze impotente politici best voorlopig links liggen. Ons land stuurt best aan op een regering van experten, een zakenkabinet, die op korte termijn voorstellen voor maatregelen opstelt met een bijbehorende begroting. Die worden dan aan het parlement voorgelegd in een vertrouwensstemming. Het debat en de stemming wordt in prime time live uitgezonden, zodat de kiezers kunnen vaststellen hoe hun volksvertegenwoordigers stemmen. Krijgt de expertenregering het vertrouwen, dan voert die de plannen uit. Wordt de motie van vertrouwen verworpen, dan wordt de Kamer ontbonden en volgen binnen de zes weken nieuwe verkiezingen.

De regering-Michel is december 2018 gevallen door een gezochte actie van de N-VA. De partij zag zijn kans schoon om een gedroomd scenario uit te voeren: aantonen dat “ons land niet meer werkt” en dus moet worden omgevormd in een confederatie, lees opgesplitst. Het pleidooi van N-VA-voorzitter Bart De Wever voor Vlaamse frontvorming spreekt boekdelen. Vlaamse onafhankelijkheid mag dan de natte droom zijn van een Vlaamse elite, de bevolking ziet daar niets in. Wetenschappelijk onderzoek naar de Belgischgezindheid van de Vlamingen in 2007 leert dat er maar een kleine minderheid is die België wil splitsen. Uit niets blijkt dat die houding fundamenteel gewijzigd is. Een vereenvoudiging van de staatsstructuur is wel zinvol. Johan Vande Lanotte deed daar recent interessante voorstellen voor.

Taxshift

Het is precies de door de N-VA doorgedrukte taxshift die in belangrijke mate geleid heeft tot het gigantische en oplopende tekort in de Belgische begroting. Aan het plan om meer mensen aan de slag te krijgen hing een prijskaartje van €5 miljard. Volgens KUL-professor André Decoster was de taxshift een verkapte belastingverlaging die niet werd gefinancierd. Zonder maatregelen loopt het gat in de begroting enkel maar op. Er gingen inderdaad 50.000 à 70.000 meer mensen aan het werk die belastingen en sociale bijdragen betalen, maar uit niets blijkt dat deze ‘winst’ aan de taxshift is toe te schrijven. Overal ter wereld nam de conjunctuur toe en kwamen er zonder extra maatregelen meer jobs.

Men kan dan begrip opbrengen voor de vraag van de Franstalige partij PS bij monde van voorzitter Paul Magnette om een grondige doorlichting van de taxshift, “nog voor de vorming van een nieuwe regering van start gaat”. De partij legt de schuld voor het begrotingstekort dat dit jaar dreigt op te lopen tot 2,4% bij de regering-Michel. De taxshift kwam in feite neer op “een reeks cadeaus aan bedrijven, zonder dat daarvoor tegenprestaties werden geëist. De onderfinanciering brengt de sociale zekerheid in gevaar, met de meest kwetsbare sociale groepen als slachtoffers”, zo zegt Paul Magnette in een persbericht. Het zal niet verwonderen dat de N-VA zo’n audit niet nodig acht.

Intussen trekken ook een dertigtal Belgische CEO’s aan de alarmbel: de politieke stilstand creëert grote onzekerheid. “Nieuwe verkiezingen en nog langer talmen zijn geen optie”, aldus deze bedrijfsleiders. Maar verder dan een aanklacht komen deze lieden niet. Economieprofessor Koen Schoors (UGent) bekijkt het wél inhoudelijk: “De rente staat historisch laag, we lenen gratis. Dat scheelt miljarden euro’s per jaar. Als je nu nog een tekort hebt, heeft het echt te maken met een gebrek aan beleid.” En professor fiscaal recht Michel Maus meent dat bij economische groei, een lage rente en een lage werkloosheid, we een overschot zouden moeten boeken.

Taxshift was eigenlijk taxcut

De taxshift was dus eigenlijk een taxcut. Nu de verwachte terugverdieneffecten zwaar tegenvallen zal een volgende regering moeten beslissen of die moet worden teruggedraaid of gefinancierd met andere maatregelen. Nu geen enkele politieke combinatie zijn nek daarvoor wil uitsteken zal het moeten komen van een expertenregering. Die kan dan tevens werk maken van vereenvoudiging van onze staatsstructuur, van een allesomvattende fiscale hervorming/vereenvoudiging, en van een meer solidaire herverdeling tussen de inkomens. Onder de regering-Michel is de koopkracht van de laagste inkomens blijven stagneren, terwijl die voor de hogere middenklasse serieus is toegenomen.

Wie er tot zo’n tijdelijke expertenregering zou moeten toetreden? Enkele suggesties langs Nederlandstalige kant: Charlotte Colman (justitie), Paul De Grauwe (financiën en begroting), Anne De Paepe (sociale zaken en volksgezondheid), Bruno De Wever (binnenlandse zaken), Michel Maus (financiën en fiscaliteit), Tom Sauer (buitenlandse zaken en defensie), Johan Vande Lanotte (staatshervorming), Frank Vandenbroucke (pensioenen), Hylke Vandenbussche (Europese zaken), Philippe Van Parijs (1e minister), Sofie Verbrugge (energie en innovatie), en Hendrik Vos (Europese zaken). Het zijn allemaal toplui die aanvaardbaar zouden moeten zijn. De politicus die het aandurft zijn vertrouwen aan zo’n expertengroep te onthouden heeft het electoraat wat uit te leggen.

Het bovenstaande is een praktische invulling van de recente voorstellen van Marc De Vos en Johan Vande Lanotte die de impasse moet kunnen doorbreken. De koning, die al eerder verrassende initiatieven heeft genomen, kan na een nieuwe consultatieronde rechtstreeks Philippe Van Parijs of een andere expert vragen een expertenregering samen te stellen. Na gedane zaken kunnen verkiezingen mensen in het parlement brengen die hun nek durven uitsteken, die het niet om het zitje of het enge partijbelang gaat, maar om het landsbelang.

Hoe de Israëlische propagandamachine werkt


Israël hanteert een uitgekookte propagandastrategie. Goed opgeleide woordvoerders beheersen het narratief. Westerse journalisten krijgen geen toegang tot Gaza en kunnen in oorlogsgebied enkel hun werk doen onder supervisie van de IDF. Manipulatie van de publieke opinie blijft een geducht wapen in de strijd.

Wie kijkt naar commentaar op een internationaal conflict is vaak geneigd te denken dat de waarheid in het midden ligt. Men vergeet daarbij soms dat de beeldvorming wordt gevoed door zij die directe belangen te verdedigen hebben in het conflict. De partij die beschikt over de beste PR-machine, het hardst roept, zijn leugens het mooist verpakt, zijn “gelijk” het vaakst herhaalt, en bij dat alles wereldleiders voor zijn karretje weet te spannen, trekt dan aan het langste eind.

Israël beschikt over een propagandamachine van topkwaliteit. Het weet daarmee perfect de mainstream media te bewerken, en die volgen vrijwel steeds dus de Israëlische versie. Zo weet Israël al tientallen jaren de geschiedschrijving naar zijn hand te zetten. Bij gevechtshandelingen kan het land rustig zijn gang gaan, zonder door de publieke opinie te worden teruggefloten. Nu de in het nauw zijnde Israëlische premier Netanyahu om zijn positie te versterken wel eens een nieuwe Gaza-oorlog zou kunnen uitlokken is het zinvol om weer eens stil te staan bij het fenomeen ‘Israëlische propaganda’.

De propagandastrategie is bijzonder uitgekookt:

1. Bepaal de criteria van het debat

Definieer ruimschoots tevoren de context van het debat, waarmee dat moet beginnen en hoe de verhaallijn wordt ingevuld. Gaat het om een oorlog, blijf dan hameren dat die door de tegenpartij is uitgelokt. Zwijg over je eigen schendingen van wapenstilstandsoverenkomsten of andere afspraken. De meeste mensen volgen het conflict niet nauw en zijn geneigd te geloven wat ze keer op keer te horen krijgen. Bereid je standpunten dus zorgvuldig voor en herhaal die consequent.

2. Stereotiepen werken

De Israëlische propaganda stelt Israël consequent voor als een hoogontwikkelde samenleving en Palestina aan de hand van negatieve stereotypen. In het Israël-Palestina conflict is Israël daarmee in het voordeel. Het verhaal is steeds dat de humane Israëlische samenleving geconfronteerd wordt met een Palestijns probleem. De media beginnen hun verslag van schermutselingen dan steevast met de opmerking hoe de Israëlische bevolking moet lijden onder “het probleem”.

Golda Meir zei het ooit zo: “We kunnen de Arabieren vergeven dat zij onze kinderen ombrengen, maar we zullen ze nooit vergeven dat zij ons verplichten hun kinderen te doden”. Bij deze voorstelling van zaken moet het niet verwonderen dat het disproportioneel geweld dat de Palestijnen bij oorlogsgeweld moeten ondergaan nauwelijks aan de orde komt, en beelden van angstige Israëlische burgers die spreken over de impact van de oorlog op hun leven, worden uitvergroot. De slachtoffers aan Palestijnse zijde worden dan enkel in aantallen genoemd of aangeduid als “collaterale schade”.

3. Buit de blunders van je tegenstander maximaal uit

De dwaasheden van Hamas spelen Israël in de kaart. Van bij het begin van de blokkade van Gaza kon Israël er op rekenen dat Hamas raketten zou afvuren. Met de daarmee gepaard gaande bedreigingen kon Israël dan sympathie opwekken bij de Westerse publieke opinie, een plus in de propagandaoorlog.

4. Laat overal van je horen, herhaal je verhaal en zorg dat je tegenstanders zoveel mogelijk buiten beeld blijven

Israël begint elke oorlog steevast met de inzet van een heus leger goed getrainde, beschaafde en vloeiend Engels sprekende woordvoerders die 24 op 24 uur bereikbaar zijn voor de media. De propaganda is perfect ingestudeerd en wordt uniform verwoord. Het succes is gegarandeerd. Tegelijk krijgen Westerse journalisten geen toegang tot Gaza en kunnen zij in oorlogsgebied enkel hun werk doen onder supervisie van de IDF, het Israëlische leger. Zo kan Israël de berichtgeving manipuleren en elke onafhankelijke vaststelling van de gruwel in Gaza verhinderen.

5. Blijf bij de les

De helft van het verhaal wordt bepaald door de politieke leiders. Het politieke apparaat wordt dus in stelling gebracht. Dat moet ervoor zorgen dat het Witte Huis en het Congres zich bij de verhaallijn aansluiten. Verklaringen van Congresleden moeten dus de gesprekspunten van de Israëlische woordvoerders uitdragen. Samen met politieke commentatoren en Congresleden moeten zij dus fungeren als elkaars klankbord.

6. Ontken en blijf ontkennen

Komen de werkelijke feiten aan het licht en spreken die de Israëlische voorstelling van zaken tegen, dan ontken je die in alle toonaarden, of je draait het verhaal om en legt de schuld bij de tegenstander. Dat er Palestijnse burgers omkomen is altijd de schuld van iemand of iets anders, of je zegt dat foto’s van rouwende burgers getrukeerd zijn.

7. Je laatste redmiddel

Als al het voorgaande faalt gebruik je het antisemitisme-wapen. Geef daar een paar voorbeelden van, generaliseer ze en wek daarmee de suggestie dat je critici worden gedreven door antisemitisme. Het is een argument dat knaagt aan het geweten. Pas op voor overdadig gebruik. Maar het kan critici tot zwijgen brengen of in het defensief zetten.

*****

De bekendste en veruit welbespraaktste Israëlische woordvoerder is ongetwijfeld de in Australië geboren Mark Regev. Die kon uitgroeien tot woordvoerder voor Israëlische premiers, en schopte het in 2016 zelfs tot Israëlisch ambassadeur in Londen. En misschien kunnen ook journalisten worden toegevoegd in het rijtje Israëlische propagandisten. Zo kan men vraagtekens zetten bij de onpartijdigheid van VRT- en NOS-correspondente Ankie Rechess.

Manipulatie van de publieke opinie is een geducht wapen in de strijd rond internationale conflicten. Gelukkig stellen steeds meer mensen zich vragen bij de berichtgeving van de mainstream media, en krijgt rond het ‘politiek-Zionistische project Joodse staat Israël’ de BDS-beweging steeds meer wind in de zeilen. Het laatste woord rond dit issue is nog niet gesproken.

Het Egmontinstituut, spreekbuis van Buitenlandse Zaken

Palais d’Egmont – Egmontpaleis, Brussels. Photo: Zinneke (Wikimedia Commons)


Het Egmontinstituut kleurt niet buiten de lijntjes van het ministerie: een EU-defensie ondermijnt de NAVO niet, maar verzwakt wel de Amerikaanse overheersing. Kernwapens blijven essentieel voor het Instituut. De publicaties zijn gehypothekeerd door Anglo-Amerikaans denken.

In België is het Egmontinstituut, officieel “Egmont-Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen”, dé denktank op het gebied van buitenlands beleid. Het Instituut, dat in het drietalige België en naar het buitenland toe opereert als Egmont Institute, herformuleerde recent zijn doelstellingen. Vandaag zijn die samengevat: ‘Toegepast onderzoek van internationale vraagstukken die België en de EU raken, en voorlichting van de publieke opinie ter zake’. Om die doelstellingen te realiseren organiseert het Instituut vormingssessies en expertenvergaderingen, neemt het deel aan internationale conferenties, publiceert het studies en geeft het tijdschriften uit.

Egmont is een Stichting in de schoot van – en wordt gefinancierd door – het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het Instituut ontvangt ook beperkte donaties voor specifiek onderzoek, maar werkt niet voor de particuliere sector. Buitenlandse ambassades hebben, mits een gift van €750/jaar, rechtstreeks toegang tot het interessante Egmont expertisenetwerk. Lobbyfacts spreekt over een jaarrekening 2017 van €904.433 en een organisatie van 19 lobbyisten, maar Egmont directeur-generaal Johan Verbeke laat weten dat de organisatie 18 mensen in dienst heeft, werkt met 15 associate fellows die niet op de payroll staan, geen private partners kent en geen lobbywerk verricht.

Europese strategische autonomie en een Europees leger

Het kloppende hart van het Instituut is onderzoek. Het resultaat wordt gepubliceerd in policy briefs die online beschikbaar zijn. Veel van die stukken zijn van de hand van de directeur van het programma “Europa in de wereld”, Sven Biscop, die tevens doceert aan de Universiteit Gent en het Europacollege in Brugge. Centraal in Biscop’s recente publicaties staat zijn pleidooi voor Europese strategische autonomie en een Europees leger, waarbij zaken als het gebrek aan een ééngemaakt Europees buitenlands beleid, toch essentieel voor een ééngemaakte defensie, en het feit dat Europa met handen en voeten gebonden is aan de NAVO en daarmee aan Washington, slechts summier aan de orde komen.

Biscop spreekt in zijn Security Policy Brief nr. 114 wat luchthartig over Russische subversie. Hij onderbouwt die opmerking niet, maar koppelt daar wel de vraag aan of niet “elke inmenging in de EU-soevereiniteit” moet worden beantwoord met vergelding “om Rusland te laten begrijpen dat de EU ook wil gerespecteerd worden”. Tegelijk vreest hij dat zo’n vergelding “alleen maar meer escalatie” oplevert. Biscop’s beschuldiging van Rusland als agressor in het Oekraïne-dossier behoeft toch enige nuancering. Zelfs de immer gerespecteerde Henri Kissinger bevestigt dat men rond de annexatie van de Krim eerder kan spreken van een plausibele Russische reactie op Westers expansionisme.

Europees instrument om militaire macht te projecteren

Ook in het recente Turkije-Syrië-dossier pleit Biscop voor een assertievere Europese houding. Voor hem had de EU een Syrië-strategie moeten ontwikkelen met aanduiding van de groepen die op permanente politieke, economische en militaire steun konden rekenen. Europa heeft enkel ad-hoc deelgenomen aan gevechtsoperaties en lijdzaam toegezien hoe Turkije Syrië is binnengevallen. We kunnen een NAVO-bondgenoot niet met militaire middelen een halt toe roepen. En dreigen dat de EU geen steun zal geven aan de stabilisatie en wederopbouw van door Turkije bezet Syrisch gebied zal Erdogan toch niet op andere gedachten brengen, zo vraagt een vertwijfelde Biscop zich af.

Hier gaat Biscop toch in de fout. Zelfs de Westerse en Arabische aanstichters van de proxy-oorlog in Syrië hadden geen strategie, gebruikten wisselende “rebellengroepen”, en moesten het afleggen tegen het door Russische, Iraanse en Hezbollah-troepen gesteunde Syrische regeringsleger. Zonder VN-mandaat opereren proxy-troepen volstrekt illegaal in de nog altijd internationaal erkende staat Syrië. Biscop ziet in PESCO een instrument om Europese militaire macht te projecteren, zeker met een voormalige Duitse defensieminister als Ursula von der Leyen als voorzitter van de Europese Commissie. Het zijn vérgaande ambities die aan het duistere Duitse verleden herinneren en weinig uitstaans hebben met een Europees verdedigingsapparaat.

Biscop ziet een supranationale Unie waarin lidstaten hun soevereiniteit hebben gebundeld, wereldspeler worden. In zijn visie ondermijnt een strategisch autonoom Europa de NAVO niet, maar verzwakt het wel de Amerikaanse overheersing. Met zijn opmerking dat de Europese lidstaten hun buitenlands beleid afstemmen op dat van de EU, en Brussel de basis vormt voor hun “politiek, economisch, en in de toekomst ook militair gewicht op het wereldtoneel” maakt Biscop zich duidelijk schuldig aan wishful thinking. De Hoge Commissaris voor Buitenlandse Betrekkingen is met handen en voeten gebonden aan het beleid van de regeringsleiders, en die volgen overwegend de “richtlijnen” van de VS.

Europese kernwapens blijven een must

Egmont Senior Associate Fellow Didier Audenaert bepleit een maatschappelijk debat nu het INF-verdrag niet meer bestaat en Europa een grotere inspanning moet doen voor (lees: fors meer geld naar) raketafweer. De kans op een nieuwe wapenwedloop is reëel, aldus Audenaert, die zich afvraagt wat we willen: Amerikaanse raketten in Europa, een eigen raketafweer, of ons neerleggen bij Russische afdreiging? Voor hem moeten burgers worden gemotiveerd voor een veiligheidsapparaat onder NAVO- en EU-auspiciën waarin “nucleaire capaciteiten” essentieel blijven. Geen woord over diplomatie, onderhandelingen over een nieuw verdrag, of toenadering tot Rusland die anderen wel bepleiten.

Wie als academicus toetreedt tot een politieke denktank die afhangt van het Ministerie van Buitenlandse Zaken weet op voorhand dat hij of zij moet opereren binnen krijtlijnen die het ministerie bepaalt. En wie als academicus hogerop wil raken publiceert in top-wetenschappelijke tijdschriften, waarvan de ranking wordt bepaald door Anglo-Amerikaanse universiteiten. Deze lieden reproduceren dus onvermijdelijk Anglo-Amerikaanse denkpatronen. Voor exacte wetenschappers is dat geen probleem zolang hun publicaties ook nieuwe informatie bevatten of tot nieuwe inzichten leiden. Maar van politieke wetenschappers mag men verwachten dat zij zich ook oriënteren op andere denkpatronen.

Anglo-Amerikaans denken

Egmont ontkomt niet aan “besmetting” door Anglo-Amerikaans denken. Het Instituut weerspiegelt het buitenlands beleid van een land dat de hoofdkwartieren van de EU en de NAVO herbergt. Kritiek op die instellingen is not done. Tegen die achtergrond zijn vraagtekens bij het onderdeel “voorlichting van de publieke opinie” in de Egmont-doelstellingen legitiem. Verwacht van een Egmont-auteur geen bevestiging van de hersendood van de NAVO, of een pleidooi voor een alliantie met Rusland en het vertrek uit Europa van alle Amerikaanse troepen, inclusief de 480 tactische kernwapens in België (Kleine Brogel), Duitsland, Groot-Brittannië, Italië, Nederland (Volkel), en Turkije.

Waar het Egmontinstituut vooral in uitblinkt is het organiseren van congressen en seminars. Een goed voorbeeld is het seminar ‘Russia and Europe in the context of global migration’ op 25 maart 2019, waar Russische, Europese en Belgische denktankmedewerkers, beleidsverantwoordelijken en journalisten zich bogen over de politieke en sociale aspecten rond migratie en de vraag wat Rusland en de EU over deze issues van elkaar kunnen leren. Als het seminar tevens moest passen binnen het kader van de voorzichtige pogingen om het ijs tussen Rusland en het Westen te breken doen het supra vermelde stuk van Didier Audenaert en de losse opmerking van Sven Biscop over Russische subversie daar geen goed aan.

Anglo-Amerikaans denken is wijdverbreid bij politieke wetenschappers in het Westen. Het risico van groepsdenken is dan niet denkbeeldig. Zij die erin slagen daaraan te ontsnappen zijn de politieke changemakers die de geopolitieke impasse waarin het Westen – en Europa in het bijzonder – verkeert kunnen helpen doorbreken.

De schabouwelijke hetze over het saluut van Vlaamse jeugdvoetballers

Print screen van YouTube filmpje ‘The Salute: Ronaldo Finishing Celebration (Tutorial)


Het Vlaams parlement heeft volkomen voorbarig gedebatteerd over het saluut van jeugdvoetballers van Turkse komaf in Beringen, een issue dat in volle onderzoek was. Onder invloed van het verderfelijke gedachtegoed van Vlaams Belang maakten alle partijen zich schuldig aan verwijtbare vooringenomenheid. Voor Karel De Gucht is en blijft Vlaams Belang een racistische partij geleid door fascisten.

Op 16 oktober 2019, juist na het Turkse offensief in Noord-Syrië, debatteerde het Vlaams parlement over vragen van Vlaams Belang en N-VA. Die waren door Liesbeth Homans, de nieuwe voorzitter van N-VA-huize, geagendeerd. Men mag zich afvragen of haar voorganger, de legendarische Jan Peumans, de vragen had toegelaten. De vragen gingen over “jeugdspelers van Turkse FC uit Beringen die een militaire groet brengen uit solidariteit met het Turkse leger”, resp. “de militaire groet door jonge voetballers ter ere van Turkse soldaten”. Het parlement, dat resulteert uit de verkiezingen van 26 mei, vergaderde voor het eerst op 23 september. De regering steunt op N-VA, CD&V en Open Vld en trad aan op 2 oktober. Het plenaire debat duurde 18 minuten en leverde vijf A4’tjes aan notulen op.

Saluut is juichgebaar in FIFA voetbalspel

De absurditeit begint bij de vraagstelling. Die gaat voetstoots uit van een militaire lading van het saluut en solidariteit met een leger. Geen parlementslid dat voorstelde het onderzoek af te wachten, verwees naar de uitleg van de leiding van ‘Turkse FC U10’, uit eigen ervaring wist te zeggen wat jeugdspelers bezielt om te salueren, wees op het feit dat er op het voetbalveld wel vaker gesalueerd wordt en ook spelers met verschillende achtergronden zich daaraan “bezondigen”, of zelfs wist te zeggen dat het saluut is opgenomen in het onder de jeugd zeer populaire voetbalspel FIFA als juichgebaar na een doelpunt. Voor de parlementsleden stond de “schuld” bij voorbaat vast.

En dus ontaardde het debat in een tirade met racistische ondertoon. Vlaams Belang hamerde op de steun aan het Erdoganregime en de subsidiekraan aan Turkse verenigingen die dicht moest. De N-VA zag het saluut als steun aan een “militaire agressor”, Open Vld vroeg de minister stappen te zetten “om dit in de toekomst te vermijden”, CD&V vond dat Vlaamse kleedkamers zich moeten beperken tot voetbal, en Groen vroeg om een draaiboek voor dit soort toestanden. Sp·a verweet Vlaams Belang dat het een hele groep stigmatiseert, maar introduceerde wel de discriminerende denkpiste om subsidies aan clubs te verstrekken in functie van hun openheid voor anderen.

Clubs op basis van etnische afkomst krijgen geen subsidie

Minister Ben Weyts (N-VA) vond dat sportende kinderen niet moeten worden ingezet voor militaire propaganda, maar stelde tegelijk vast dat het fenomeen zich “gelukkig” beperkt tot slechts 2 van de 2820 aangesloten clubs. De zaak wordt onderzocht, er worden zo nodig sancties opgelegd, en tegelijk doet UEFA onderzoek naar het fenomeen dat “tot onze grote spijt wereldwijd wel inspiratie heeft geboden”, aldus Weyts, die naast de instrumenten inzake ethiek in de sport die de federaties zijn aangereikt aanvullende maatregelen in petto heeft. Ons land kent vrijheid van vereniging, maar in het regeerakkoord staat wel dat clubs op basis van etnische afkomst geen subsidie krijgen, aldus Weyts.

De media lieten zich niet onbetuigd. N-VA Beringen plaatste een bericht op zijn website dat de militaire groet “om de soldaten in de Turks-Syrische oorlog te eren” veroordeelt en stelt dat het “delicaat evenwicht in onze multiculturele gemeente” niet moet worden ondermijnd. Kinderen die een oorlog promoten is “vele bruggen te ver”, aldus N-VA. Het Laatste Nieuws en De Morgen spreken over “kinderen [die] een militaire groet brengen om de soldaten in de Turks-Syrische oorlog te eren”. Voor het Nederlandse dagblad De Telegraaf was de veroordeling van de inval “voor de voetballertjes uit Beringen geen beletsel”, hebben de Turken in Syrië “al tientallen burgerdoden” op hun conto, en worden er “vrouwen uit hun auto gesleurd” en geëxecuteerd.

De ranzige reacties op het artikel in De Telegraaf variëren van “Hoe heet die club eigenlijk? De Grijze Wolfjes Beringen?” tot “Terwijl onze ‘witte’ kindjes manu militari leren om ‘verdraagzaam’ en ‘inclusief’ te zijn, brengt de Vijfde Baby-Colonne militaire eer aan de Ottomaanse Sultan in Ankara. Dit land is om zeep.” Maar op Twitter treft men ook de reactie van de Herentalse advocaat Peter Verpoorten aan: “Grappig om te lezen dat mensen schrijven dat Turken zich in Beringen moeten integreren. Die mensen zijn nog nooit in Beringen geweest. Ik heb daar jarenlang gevoetbald. Ik ben er ook nooit geïntegreerd geraakt.”

Solidariteit in de Turkse gemeenschap is ook een gegeven

Gevraagd om een reactie laat Groen-Beringen voorzitter Irfan Öztas op persoonlijke titel weten dat de kinderen al voldoende zijn geviseerd en het hypocriet is dat Westerse media niets zeggen als Franse spelers een saluut brengen. Ook op persoonlijke titel liet Maurice Webers, fractieleider s.pa, weten dat de clubs de boodschap wel zullen hebben begrepen en er belangrijker thema’s zijn. Internetgazet Beringen publiceerde een reactie van schepen Hilal Yalçin (CD&V) die erop neerkomt dat de multiculturele samenleving de publieke opinie soms voor vragen stelt, een buitenlandse kwestie niet moet worden geïmporteerd, de solidariteit in de Turkse gemeenschap ook een gegeven is en enkel sereen contact tussen de gemeenschappen tot wederzijds begrip kan leiden. Een standpunt dat niemand zal betwisten.

Hoewel van meet af aan duidelijk was dat een voortzetting van de Zweedse coalitie (N-VA, CD&V en Open Vld) de enige realistische optie was moest het 127 dagen duren vooraleer die Vlaamse regering het levenslicht zag. Een unicum. Cynici zullen zeggen dat de zes weken durende flirtage van N-VA-informateur Bart De Wever met Vlaams Belang dat fors had gewonnen geen maat voor niets was. Maar de fall-out van zes weken vrijage heeft wél alle partijen besmet. Het hierboven beschreven non-debat maakt dat zonneklaar. Vlaanderen was altijd al rechts, maar met het aantreden van de nieuwe regering maakt het een forse ruk verder naar rechts.

Regering, schepencolleges én oppositie laten zich continu onder druk zetten door een oppositiepartij waar behalve N-VA niemand mee wil samenwerken, een oppositiepartij waar niemand minder dan ex-Open Vld boegbeeld Karel De Gucht het etiket ‘racistische partij geleid door fascisten’ op plakt. Is er nu werkelijk geen politieke topper in dit land die de handschoen opneemt en dit kwaad met open vizier bestrijdt daar waar het thuishoort: in het parlement en in de gemeenteraden?

De vastgelopen Europese integratie (2)

Deel 2: de weg uit de impasse.

Europa ten tijde van Karel de Grote in 814 (foto: Szajci, Wikimedia Commons)


Van verticale Europese integratie is maar weinig sprake geweest. Zonder Britse bijdrage krijgen de Europese financiële transfers het moeilijk. De EU kan de voortvarend aangetrokken lidstaten nog moeilijk in het gareel krijgen. Duitsland, Frankrijk en de Benelux zouden de transfers kunnen stopzetten om een betere Unie te ontwikkelen op het gebied van het vroegere Karolingische Rijk. Een nieuwe economische crisis stelt de Unie voor de harde keus: integratie of uiteenvallen.

Het Juridisch Woordenboek zegt over Europese integratie: “eenmaking van Europa door politieke, economische en militaire integratie”. Precies daar wringt het Europese schoentje. In de praktijk heeft Europese integratie betekend: het uitbreiden van de EU met nieuwe leden, te vergelijken met ondernemingen die geen autonome groei meer kennen en hun slagkracht op de wereldmarkt vergroten door overnames. Wat we de afgelopen tientallen jaren van het Europese project hebben gezien is hooguit horizontale integratie. Van verticale integratie, het laten toenemen van beleidsdomeinen die de lidstaten aan de Unie toevertrouwen, is maar weinig sprake geweest.

Vandaag zijn enkel douane, buitenlandse handel, monetair beleid en mededinging volledig Europese bevoegdheden. Belangrijke beleidsdomeinen als financiën, begroting, belastingen, sociale zekerheid, economie, landbouw, visserij, energie, milieu, vervoer, justitie, buitenlandse betrekkingen, defensie, en asiel- en migratiebeleid vallen daarbuiten. Daar komt het gebrek aan uniformiteit onder de lidstaten nog bij. Sommigen hebben een opt-out, anderen zijn maar deels aan de Europese regelgeving gebonden. Van een Europese minister van financiën die in de eurozone het begrotings- en fiscale beleid bepaalt zoals de Franse president Macron nastreeft lijkt niet veel in huis te komen.

Economisch zwakke lidstaten hebben de Europese integratie in de weg gestaan

De kernlidstaten deden hun voordeel bij de gemeenschappelijke markt door de toegang tot nieuwe opkomende markten in de periferie. Omgekeerd heeft de komst van economisch zwakkere lidstaten – die zoals Spanje en Griekenland zelfs tot de eurozone konden toetreden – de verdere Europese integratie in de weg gestaan. Dankzij de open grenzen tussen arme en rijke landen kwam de economische migratie op gang, een fenomeen dat bijdroeg aan de anti-EU stemming en specifiek de Brexitbeweging. Tegelijk moest de elite toezien hoe de EU zich ontwikkelde tot een lappendeken van landen in zeer verschillende ontwikkelingsstadia die de EU opsplitste in permanente donoren en permanente ontvangers van Europees geld.

West-Europese staten krijgen het steeds moeilijker met het vooruitzicht om tot in het oneindige lidstaten te moeten subsidiëren die als blijk van dank economische migranten op hun dak sturen. Eurosceptische partijen blijven dan in de minderheid, traditionele partijen nemen al delen van hun gedachtegoed over, zoals een rem op de migrantenstroom en inperking van het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering. Nu Brexit een einde maakt aan de Britse bijdrage aan het EU-budget kunnen de gevolgen voor de Europese vrijgevigheid niet uitblijven.

De aanspraak op herstelbetalingen wijst op wanhoop bij sommige lidstaten

Zo’n ontwikkeling zet niet enkel druk op pro-Europese sentimenten, maar stimuleert ook landen als Griekenland en Polen hun aanspraak op herstelbetalingen van Duitsland in de verf te zetten. Dit wijst op een gevoel van wanhoop en twijfel bij sommige landen over het EU-lidmaatschap. Zo ontstaat een beweging om de EU-kern te versterken, zelfs als dat ten koste gaat van de banden met de armere EU-landen.

De ontstaansgeschiedenis van de VS kan model staan voor economische en politieke integratie. In Amerika kon die maar succesvol worden afgerond dankzij een stappenplan: eerst verticaal integreren, dan horizontaal. De Amerikaanse grondwet bond slechts de oorspronkelijke 13 staten die hun soevereiniteit overdroegen aan de federale overheid. Staten die zich wilden aansluiten moesten de grondwet onderschrijven.

Verticale integratie gaat voor op horizontale integratie

In het geval van de EU werden eerst zoveel mogelijk lidstaten bij elkaar geharkt en pas daarna kwamen de zwakke pogingen om iedereen in het gareel te krijgen. Dat is een wel heel moeilijk oefening. De EU kampt met een lage verticale integratie en een groot aantal leden van totaal verschillende bevolkingsomvang en economische ontwikkeling, om maar te zwijgen over het Toren van Babel effect van verschillende talen en culturen die allemaal mogen mee-eten uit de Europese ruif.

Voortgaande Europese integratie vergt de overdracht van nationale soevereiniteit aan Europese instellingen die niet enkel individuele rechten moeten garanderen, maar tegelijk het overwicht van bestaande EU-lidstaten consolideren. Vandaag kan geen Europese leider of groep leiders zoiets tot stand brengen. Zo’n boppeslach lukt enkel met een kleine groep lidstaten die onderling al een zekere mate van verticale integratie hebben bereikt.

Kernlanden als Duitsland en Frankrijk, mogelijk aangevuld met de Benelux, zouden als groep kunnen stoppen met de financiële transfers aan de minder ontwikkelde lidstaten, om een betere Unie te ontwikkelen. Het idee van een Europa met twee snelheden wint aan populariteit. De kern zou kunnen bestaan uit landen gelegen in het gebied dat meer dan duizend jaar geleden het Karolingische Rijk uitmaakte. Net als in de VS in de 19e eeuw moeten lidstaten buiten de kern hun lidmaatschap in de kern verdienen door zich volledig neer te leggen bij de politieke instellingen van de kern.

Een nieuwe Grote Depressie kan de oude machtshonger oproepen

Vandaag ligt noch de implosie van de EU noch verdere integratie in een al of niet afgeslankte vorm voor de hand. Zoals steeds ploetert het Europese project dapper voort met vaak geïmproviseerd beleid. Maar een crisis in de vorm en opvang van de Grote Depressie van de jaren 1930 kan niet worden bestreden met halve maatregelen. Zo’n crisis stelt de Unie voor een harde keus: integratie, desnoods in afgeslankte vorm, of uiteenvallen in losse staten met het risico van gewapend conflict, onderling of met de grootmachten.

Europese leiders zullen zich wel herinneren hoe hun land als koloniale mogendheid heerste over een groot deel van de wereld. Staan zij ooit voor de keuze tussen integratie of uiteenvallen, dan kan de oude machtshonger de doorslag geven, met alle ellende van dien.